Net als Nederland, is ook de omgeving van de Nederrijn een gebied waar eigenlijk altijd intensieve akkerbouw is gepleegd. Voor de ontdekking van kunstmest was er minder grond geschikt om gewassen op te verbouwen dan tegenwoordig. Hier, aan de Nederrijn, was de grond deels te nat en op de hoger gelegen delen juist te zanderig en arm aan voedingsstoffen. De vochtige bossen en velden werden sinds de twaalfde eeuw op veel plekken afgewaterd dankzij kanalisatie. Maar hoe zou je de zandgronden vruchtbaar kunnen maken? Overal in Europa waren mensen al sinds de elfde eeuw bezig met zulke vragen. De bevolking groeide en mensen vestigden zich ook in gebieden die niet per se geschikt waren voor akkerbouw. De oplossing die men bedacht was ingenieus. Men verwijdert de bovenste, begroeide grondlaag. Die zogenoemde plaggen worden vervolgens uitgestrooid in de stallen. Na ongeveer een jaar werden de plaggen, nu verrijkt met dierlijk mest, gemengd met as en keukenafval en weer op het veld gelegd. In de loop der eeuwen ontstond daardoor vruchtbare grond, ideaal om gewassen op te telen. De vruchtbare esdekken, Plaggenesche in het Duits, kwamen in de loop der tijd steeds hoger te liggen. Er kwam immers ieder jaar een laag grond bovenop. Maar die grond moest wel ergens vandaan komen. De gebieden waar de plaggen vandaan werden gehaald, daalden dus juist. Daar ontstonden karige heidelandschappen, soms zelfs zandduinen. Tegenwoordig worden de beide tegenpolen – de vruchtbare esgronden en de karige heidelandschappen – als twee delen van hetzelfde cultuurlandschap gezien. Veel esdekken zijn tegenwoordig bebouwd, ze lagen immers vlakbij de dorpskernen. De overgebleven esdekken blijven dankzij hun vruchtbaarheid onverminderd waardevol voor de boeren. Ze gelden, vanwege hun geschiedenis waarin menselijke inventiviteit en ijver zo’n grote rol speelden, als beschermde gebieden. In 2013 werd het zelfs uitgeroepen tot bodemsoort van het jaar.

Terug

Plaggenesch

Van de nood een deugd maken

Net als Nederland, is ook de omgeving van de Nederrijn een gebied waar eigenlijk altijd intensieve akkerbouw is gepleegd. Voor de ontdekking van kunstmest was er minder grond geschikt om gewassen op te verbouwen dan tegenwoordig. Hier, aan de Nederrijn, was de grond deels te nat en op de hoger gelegen delen juist te zanderig en arm aan voedingsstoffen. De vochtige bossen en velden werden sinds de twaalfde eeuw op veel plekken afgewaterd dankzij kanalisatie. Maar hoe zou je de zandgronden vruchtbaar kunnen maken? Overal in Europa waren mensen al sinds de elfde eeuw bezig met zulke vragen. De bevolking groeide en mensen vestigden zich ook in gebieden die niet per se geschikt waren voor akkerbouw. De oplossing die men bedacht was ingenieus. Men verwijdert de bovenste, begroeide grondlaag. Die zogenoemde plaggen worden vervolgens uitgestrooid in de stallen. Na ongeveer een jaar werden de plaggen, nu verrijkt met dierlijk mest, gemengd met as en keukenafval en weer op het veld gelegd. In de loop der eeuwen ontstond daardoor vruchtbare grond, ideaal om gewassen op te telen. De vruchtbare esdekken, Plaggenesche in het Duits, kwamen in de loop der tijd steeds hoger te liggen. Er kwam immers ieder jaar een laag grond bovenop. Maar die grond moest wel ergens vandaan komen. De gebieden waar de plaggen vandaan werden gehaald, daalden dus juist. Daar ontstonden karige heidelandschappen, soms zelfs zandduinen. Tegenwoordig worden de beide tegenpolen – de vruchtbare esgronden en de karige heidelandschappen – als twee delen van hetzelfde cultuurlandschap gezien. Veel esdekken zijn tegenwoordig bebouwd, ze lagen immers vlakbij de dorpskernen. De overgebleven esdekken blijven dankzij hun vruchtbaarheid onverminderd waardevol voor de boeren. Ze gelden, vanwege hun geschiedenis waarin menselijke inventiviteit en ijver zo’n grote rol speelden, als beschermde gebieden. In 2013 werd het zelfs uitgeroepen tot bodemsoort van het jaar.

Naar het overzicht Naar het overzicht