Waarom ziet het landschap eruit zoals het eruit ziet? Wat heeft beslissende invloed gehad? De idyllische omgeving die we nu zien, biedt op het eerste gezicht slechts weinig aanknopingspunten om dit raadsel op te lossen. Het is moeilijk voor te stellen dat de rustige omgeving waar we nu staan, ooit tot stand is gekomen dankzij geweld van de natuur. In de IJstijd was dit een allesbehalve idyllisch gebied. De rivieren die we nu Maas en Rijn noemen, stroomden wild door het landschap en zetten kiezels en stenen af. Niet ver hiervandaan stuwden gigantische gletsjers immense massa’s stenen op tot de tegenwoordige Nederrijnse Heuvelrug. In de duizenden jaren na de IJstijd sleet het smeltwater buitengewoon bochtige geulen en slenken in de grindlagen. Dat hoger gelegen, droge plateaus – de donken – en vochtige laagvlaktes – de geulen –  vlak naast elkaar bestaan, kenmerkt tot op de dag van vandaag het karakteristieke, versnipperde landschap. De mensen volgden natuurlijk de natuur: de lager gelegen, natte geulen waren niet geschikt voor akkerbouw, de hoger gelegen donken daarentegen wel. De laagvlaktes waren dan ideaal om te gebruiken als weideplaats. Nederzettingen ontstonden meestal op de grens tussen de hoger- en lagergelegen gebieden. Veel plaats- en straatnamen, bijvoorbeeld de nabijgelegen Gaesdonker Straße, verwijzen daar nog steeds naar. De naam van dit beekje, Kendel, verwijst naar de typisch regionale naam voor dit soort geulen. De geknotte bomen langs de beek zijn typisch voor de vochtige laagvlaktes. Op sommige plekken is ook nog een aangrenzend loofbos te vinden en wie iets verder kijkt, ziet hoger gelegen akkers. Okay, de hoogteverschillen zijn met een tot twee meter nauwelijks zichtbaar. Maar als u straks verder fietst, zult u de stijging van het vochtige laagland naar de hogere, drogere donken waarschijnlijk toch even voelen.

Terug

geulen en donken

Resten uit de IJstijd

Waarom ziet het landschap eruit zoals het eruit ziet? Wat heeft beslissende invloed gehad? De idyllische omgeving die we nu zien, biedt op het eerste gezicht slechts weinig aanknopingspunten om dit raadsel op te lossen. Het is moeilijk voor te stellen dat de rustige omgeving waar we nu staan, ooit tot stand is gekomen dankzij geweld van de natuur. In de IJstijd was dit een allesbehalve idyllisch gebied. De rivieren die we nu Maas en Rijn noemen, stroomden wild door het landschap en zetten kiezels en stenen af. Niet ver hiervandaan stuwden gigantische gletsjers immense massa’s stenen op tot de tegenwoordige Nederrijnse Heuvelrug. In de duizenden jaren na de IJstijd sleet het smeltwater buitengewoon bochtige geulen en slenken in de grindlagen. Dat hoger gelegen, droge plateaus – de donken – en vochtige laagvlaktes – de geulen –  vlak naast elkaar bestaan, kenmerkt tot op de dag van vandaag het karakteristieke, versnipperde landschap. De mensen volgden natuurlijk de natuur: de lager gelegen, natte geulen waren niet geschikt voor akkerbouw, de hoger gelegen donken daarentegen wel. De laagvlaktes waren dan ideaal om te gebruiken als weideplaats. Nederzettingen ontstonden meestal op de grens tussen de hoger- en lagergelegen gebieden. Veel plaats- en straatnamen, bijvoorbeeld de nabijgelegen Gaesdonker Straße, verwijzen daar nog steeds naar. De naam van dit beekje, Kendel, verwijst naar de typisch regionale naam voor dit soort geulen. De geknotte bomen langs de beek zijn typisch voor de vochtige laagvlaktes. Op sommige plekken is ook nog een aangrenzend loofbos te vinden en wie iets verder kijkt, ziet hoger gelegen akkers. Okay, de hoogteverschillen zijn met een tot twee meter nauwelijks zichtbaar. Maar als u straks verder fietst, zult u de stijging van het vochtige laagland naar de hogere, drogere donken waarschijnlijk toch even voelen.

Naar het overzicht Naar het overzicht