De koning van de nacht – de oehoe

Uhus am Fels, Foto: S. Baumeister

De oehoe (Bubo bubo) is de grootste van de inheemse uilensoorten. Ondanks zijn imposante grootte van zo’n 70 cm en een vleugelspanwijdte tot wel 180 cm kan hij net zoals alle uilen geluidloos door de lucht glijden. Dat heeft hij te danken aan zijn verenpak, dat hem met zijn heldere en donkere schakeringen bovendien optimaal camoufleert. Het oppervlak van de veren is zo zacht dat er tijdens het vliegen geen wrijvingsgeluiden ontstaan. Bovendien wordt de luchtstroom aan de vleugelkanten door fijne, kamachtige kartelingen van de veren in kleine wervelingen opgedeeld, waardoor elk geluid onderdrukt wordt. Het geluidloze vliegen is vooral een voordeel tijdens de jacht. Als jager in open land heeft de oehoe namelijk amper dekking en is hij daarom op een verrassingsaanval aangewezen. En dat functioneert uiteraard het beste als men hem niet hoort aankomen. Maar wat eet een oehoe eigenlijk? Op zijn menu staan kleinere dieren zoals veldmuizen, ratten, egels en vogels, maar ook grotere dieren zoals konijnen en jonge vossen. Af en toe maakt de oehoe ook amfibieën of vissen buit. De mens heeft de oehoe lange tijd als concurrerende jager gezien, waardoor er ook sterk op de oehoe zelf werd gejaagd. Het dieptepunt van de oehoepopulatie kwam in het midden van de 20ste eeuw. Toen waren er nog maar een vijftigtal broedparen in Duitsland. In 1935 werd hij wel tot beschermde soort uitgeroepen, maar zelfs toen waren er al te weinig oehoes om de grote gaten in de populatie terug op te vullen. Pas na de uitzetting van gekweekte dieren groeide hun bestand gestaag terug aan. Tegenwoordig zijn er in Duitsland weer ongeveer 2.000 inheemse broedparen. Zij broeden in rotsen, maar ook in verlaten nesten van roofvogels en in geval van nood ook op de grond. Maar het liefst zien ze hun kroost beschermd tegen vossen en andere dieren. Daarom leven ze heel vaak ook in steengroeves en in toenemende mate ook in kiezel-, zand- en kleigroeves. Hier bouwen zij hun nesten tegen de steile wanden, die hen bescherming bieden tegen regen, mensen en andere storende elementen. Ongestoorde levensruimtes worden immers steeds zeldzamer. Zelfs in steengroeven die nog in gebruik zijn, voelen deze grote vogels zich thuis. En de eigenaars van vele groeven zijn maar al te graag bereid om hun steentje bij te dragen aan de bescherming van de oehoe. Er is geen enkele bedrijfstak die deze soort zo direct bescherming kan bieden als het mijnwezen. Met slechts een beetje moeite kunnen in zandgroeven nissen in de steile wanden worden uitgehouwen, die dan door de oehoes gebruikt worden. Want als de oehoes in zandgroeven of steengroeven leven, zijn zij het best beschermd tegen andere dieren en hier zullen zij ook niet door klimmers of bergwandelaars gestoord worden

Weergeven in kaart

Quellen: EGE GESELLSCHAFT ZUR ERHALTUNG DER EULEN E.V.: EGE-Artenschutz-Information Nr. 5 und Artikel in „Mineralische Rohstoffe“ 2010