Van Amerika naar de Nederrijn – De nutria

Schwimmendes Nutria, Foto: M. Büdding

Van ver gezien zou het ook een bever zijn – we hebben het over de nutria, ook wel moerasbever of beverrat genoemd. Hij lijkt weliswaar sterk op de bever, maar is bij nader inzien makkelijk van hem te onderscheiden. De staart, die bij de bever breed en vlak is, is bij de nutria rond zoals bij een rat en ongeveer zo dik als een vinger. Het uit Zuid-Amerika afkomstige dier heeft zich hier intussen sterk verspreid, omdat de milde winters in de Nederrijn hem wel bevallen. De vrij levende nutria’s stammen af van uitgezette boerderijdieren. Nutria’s werden immers lange tijd omwille van hun pels in kooien gehouden en gekweekt.

De tot 8 kg zware dieren voelen zich ‘in vrije wildbaan’ vooral in wateren met rijkelijke plantengroei thuis, zoals in de oude arm van de Niers hier bij Weeze. Op hun menukaart staan hoofdzakelijk scheuten en wortels van waterplanten en riet. Zo komen ze jammer genoeg wel in het vaarwater van andere diersoorten die aangewezen zijn op onbeschadigd riet en intacte waterplanten. Verschillende vogelsoorten broeden bijvoorbeeld in het riet en verliezen dus geschikte nestplaatsen als de nutria’s teveel planten verorberen. Problematisch is vooral de snelheid waarmee de nutria’s zich voortplanten. Zij paren namelijk meermaals per jaar en brengen bij elke dracht 4 tot 7 jongen ter wereld – en die moeten gevoed worden. Bovendien hebben de nutria’s in hun nieuwe thuis in de Nederrijn amper natuurlijke vijanden. Volwassen nutria’s zijn met hun krachtige knaagtanden zeer weerbaar en slechts zelden kan een vos een jong dier buit maken. Normaal gezien vluchten nutria’s bij gevaar in het water om zich in hun zelf gegraven pijpen te verschuilen. Hier brengen zij ook hun jongen ter wereld.

De nutria’s worden intussen met vallen doelgericht gedecimeerd, zodat de schade aan oevergewassen en riet niet de overhand neemt.

Weergeven in kaart

Quellen: Krebs, H. (2010): Vor und nach der Jägerprüfung. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München, 1019 S.