Steeds op zijn hoede – de gladde slang leeft graag verscholen

Schlingnatterkopf mit Zunge, Foto: J. Amshoff

Zij is de tweede meest voorkomende slangensoort in Duitsland, maar men krijgt haar slechts uiterst zelden te zien. De kleine, sierlijke gladde slang (Coronella austriaca) is zeer schuw en vertrouwt bij gevaar liever op haar camouflage dan tot de aanval over te gaan. Als zij echt geen andere keuze meer heeft, voert zij in veel gevallen eerst een schijnaanval uit, zonder daadwerkelijk te bijten. Als adder beschikt zij ook over de capaciteit om uit klieren een stinkende afscheiding te produceren, zodat roofdieren liever naar een ander middagmaal uitkijken. Voor de mens is zij echter volledig ongevaarlijk. Haar beet is niet giftig, en ze kan de mens er niet ernstig mee verwonden. Toch wordt de angst van de mens voor slangen vele gladde slangen fataal. Ook haar gelijkenis met de giftige adder draagt daartoe bij. De gladde slang heeft een grijsbruine kleur en donkere vlekken op de rug, die bij beweging lijken op de doorlopende zigzagband van de adder. Vele van deze schuwe dieren hebben hierdoor al het leven moeten laten – volledig onterecht, aangezien op hun menukaart niet de mens staat, maar vooral andere reptielen zoals bijvoorbeeld hagedissen of hazelwormen. Af en toe komt er met wat kleine zoogdieren en vogels een beetje afwisseling op het menu. Grotere buiten  vangt de gladde slang door hen te omklemmen en verstikken.

De wetenschappelijke naam van het geslacht ‘Coronella’, waartoe de gladde slang behoort, betekent zoveel als ‘kroontje’ en verwijst naar de opvallende donkere tekening op de achterkant van de kop.

Tegenwoordig is de gladde slang zeldzaam geworden en geldt zij als een sterk bedreigde diersoort. Haar grootste vijand is de mens, aangezien die er verantwoordelijk voor is dat haar biotoop steeds weer verandert. De heimelijk levende gladde slang geeft de voorkeur aan structuurrijke biotopen met genoeg planten waar zij zich kan verschuilen en zonnebaden. Eigenlijk waren er een heleboel geschikte plaatsen: lichte woudranden, bermen, steenmijnen, heidegebieden of zelfs spoordijken. Het probleem is echter dat deze locaties meestal de structuren niet hebben die de locatietrouwe gladde slang zozeer nodig heeft. Dood hout, steenhopen of hogere grasbosjes zijn slechts enkele daarvan. Zulke beschutte en vorstvrije schuilplaatsen heeft zij nodig om de winter in door te brengen. Er mag dus best wel een beetje wanorde zijn in ons intensief gebruikte en ‘ordelijk opgeruimde’ landschap, zodat de gladde slang ook nog een toekomst heeft.

Weergeven in kaart

Quellen: www.nabu.de: Naturschutzbund Deutschland. Tiere und Pflanzen – Amphibien und Reptilien – Reptilien – Schlingnatter. www.nabu.de/tiere-und-pflanzen/amphibien-und-reptilien/reptilien/12588.html (Zugriff am 18.11.2016).

www.herpetofauna.at: Amphibien und Reptilien Österreichs. Reptilien – Schlingnatter. www.herpetofauna.at/index.php/reptilien-oesterreichs/10-reptilien/34-schlingnatter-glattnatter-coronella-austriaca-laurenti-1768 (Zugriff am 18.11.2016).