Weidegrasland – Hier is iets aan de hand!

Weidegrünland mit ausgetrockneter Blänke, Foto: Naturschutzzentrum im Kreis Kleve e.V.

Een weide is een grasvlakte die door runderen, paarden of schapen regelmatig afgegrazen wordt. Dat is de meesten wel bekend. Wat er zich naast grazend vee echter nog op een weide afspeelt, blijft vaak verborgen. Men treft er vele kleine biotopen met geheel verschillende structuren vlak naast elkaar aan. Zo vertoont het gras door het gewicht van de hoeven op verschillende plaatsen gaten. Zulke open plaatsen worden vaak door verschillende wilde bijen gebruikt om er onderaardse broedkamers te bouwen. In deze gaten kunnen ook jonge kruiden en grassen wortel schieten.

Waar de planten bijzonder smakelijk zijn of de dieren zich bij voorkeur ophouden, wordt de weide zeer kort afgevreten. Op zulke plaatsen hebben de plantensoorten zich aangepast, in die zin dat zij op de grond bijzonder veel bladeren hebben. De bladeren zijn meestal vlak tegen de bodem aangedrukt, zodat zij amper afgevreten kunnen worden. Madeliefjes of paardenbloemen zijn voorbeelden van zulke aangepaste laaggroeiende soorten.

Andere plaatsen, zoals die waar de weidedieren hun mest achterlaten, worden door het vee gemeden of worden pas op het einde afgegrazen. Zo ontstaat een wisselende mozaïek uit hogere begroeiing en kort afgegrazen plaatsen. Bijzonder interessant zijn koeienvlaaien en paardenvijgen. Die zitten immers vol leven. Mestkevers en strontvliegen leggen hun eieren hierin en de keverlarven en vliegenmaden kunnen zich daarin prachtig ontwikkelen. De insecten en hun larven worden dan weer opgegeten door de kievit en de spreeuw, of door egels, dassen en aanverwanten. Bovendien vestigen zich in zulke hopen ook nog zwammen en talloze bacteriën die voor de ontbinding zorgen.

Weidegrasland zorgt dus niet enkel voor voeding voor onze nutsdieren, maar veeweiden vormen sinds mensenheugenis ook een biotoop voor vele plant- en diersoorten.

 

Quellen: Tischler, W. (1990): Ökologie der Lebensräume. – Gustav Fischer Verlag, Stuttgart, 356 S.