24 maart 1945 is een belangrijke datum in de wereldgeschiedenis en Hamminkeln was het schouwtoneel. In het landelijke - en normaal gesproken zo rustige - gebied tussen Wesel, Hamminkeln en Mehrhoog klonk op die dag onophoudelijk het onheilspellende gedreun van vliegtuigen die parachutisten afwierpen. In totaal werden er rond de 1500 motorvliegtuigen en 1300 zweefvliegtuigen ingezet. 14.000 geallieerde soldaten waren bij het offensief betrokken. Achter deze koude cijfers gaan veel menselijke tragedies schuil. De dagen na de luchtaanval bleef dit gebied nog het toneel van hevige gevechten. Voor de omwonenden waren het dagen van geweld, bloed, lawaai, angst en onzekerheid: wat zou er gebeuren met de bevolking als de geallieerden de strijd eenmaal hadden gewonnen? De vliegtuigen brachten materieel dat de geallieerde troepen nodig hadden om de Duitsers te verslaan naar de overkant van de Rijn. Het Duitse leger had namelijk in de voorafgaande weken en maanden alle bruggen over de Rijn opgeblazen om de opmars van de Amerikanen en Britten af te remmen.

Toch kwam het einde van de Tweede Wereldoorlog langzaam in zicht. Bij een enorm offensief een dag eerder, met de naam Operation Plunder, waren al 250.000 soldaten overgezet naar de andere oever van de Rijn. Bij Bislich waren dat Engelse, Schotse en Canadese soldaten en in Friedrichsfeld Amerikaanse troepen. Op Operation Plunder volgde de grootste luchtaanval van de Tweede Wereldoorlog. Deze Operation Varsity was bedoeld om de troepen te versterken die eerder al de andere kant van de Rijn hadden bereikt. Varsity betekent zoiets als 'Universitaire Sportploeg' en Plunder is wel als strooptocht te vertalen. De Duitse troepen boden nog heftig verzet en aan beide kanten vielen enorme verliezen te betreuren. Uiteindelijk was de geallieerde overmacht te groot en werden de inwoners van dit gebied eind maart 1945 bevrijd. Gelukkig zijn uit de vijanden van toen inmiddels vrienden geworden die samen het grote offensief en alle slachtoffers kunnen herdenken. Bijvoorbeeld hier, bij deze gedenksteen.

Terug

Operation Varsity

Meer informatie

St. Bernardin was altijd al een bijzondere plek. Hier heeft het leven een geheel eigen ritme. Het is een aparte wereld en buitenstaanders wisten er heel lang maar weinig van. In 1852 stichtten Franciscaner monniken het klooster St. Bernardin als kostschool voor meisjes uit de omgeving. 30 jaar later werd het een tehuis voor gehandicapte meisjes en vrouwen. Tegenwoordig biedt de stichting Caritas hier een begeleid wonen project voor volwassenen. Dat is niet de enige verandering. St. Bernardin is allang geen gesloten wereld meer. Sinds het klooster werd gerenoveerd, heeft het de deuren geopend voor bezoekers van buiten.

Op de plek waar zich ooit de moestuin van het klooster bevond, is tegenwoordig een park voor de bewoners. Het is ook vrij toegankelijk is voor alle mensen uit de buurt.

De inzet van de natuurbeschermers van NABU Naturschutzentrum Gelderland en de financiële ondersteuning van het Landschaftsverband Rheinland maakten dit mogelijk. Het hart van het park wordt gevormd door meerdere projecten van het natuurbeschermingscentrum. De vele kruiden en bloemen ruiken heerlijk en maken dit deel van het park tot een zintuiglijke ervaring. De naastgelegen boerentuin, met vergeten groenten en een gedeelte waar de bezoekers worden uitgenodigd te proeven en te voelen, zijn een ware attractie voor alle bezoekers. Het complex heeft nog meer te bieden: een klein dierentuin, een speeltuin, een verwarmd zwembad en veel wandelpaden tussen de oude bomen. De tuinarchitecten hebben een bijzondere prestatie geleverd. St. Bernardin is tegenwoordig een geliefde bestemming voor een dagje uit en biedt de bewoners tegelijkertijd een aangename en inspirerende plek om te wonen. Dat maakt St. Bernardin een plek van ontmoetingen waar mensen kunnen zien hoe waardevol, en eenvoudig, echt samenleven kan zijn.

Terug

Park St. Bernardin

Meer informatie

Hier ziet u „Blumme Fritz“, de laatste bezembinder van de Bönninghardt! Hij ging door weer en wind om zijn takkenbezems en de laatste roddels aan de man te brengen. Kunstenaar Erika Rutert heeft hier een monument voor hem – en daarmee voor alle bezembinders van de Bönninghardt - opgericht. Dit ambacht speelt immers een belangrijke rol in de geschiedenis van de streek.

Leven op de Bönninghardt was...zwaar. Heel zwaar. Het is eigenlijk al verbazingwekkend dat mensen zich hier überhaupt hebben gevestigd. Want de Bönninghardt maakt deel uit van de Nederrijnse Heuvelrug, die is ontstaan uit het zand en de stenen die 200.000 jaar geleden werden opgestuwd door een immense gletsjer. Het onvruchtbare, dorre landschap werd lang alleen als bosweide gebruikt, maar in de achttiende eeuw wilde de overheid toch een poging wagen om het gebied door mensen te laten bewonen. Het toeval wilde dat er net op dat moment, in 1740, een stroom vluchtelingen uit de Palts op weg was naar Amerika. Oorlogen voorkwamen dat ze de oversteek konden wagen en zo eindigden de grote dromen van de mensen uit de Palts op de kleine Bönninghardt. Compleet aan hun lot overgelaten in dit onherbergzame gebied, woonden ze in grotten en primitieve hutten. Hun geld verdienden ze als bezembinders en dagloners. De bezems maakten ze van het ruim aanwezige struikhei. Dat bleef bijna 200 jaar zo. Nog rond 1920 werd er hier slechts één beroep vaker uitgeoefend. Sindsdien is het leven op de Bönninghardt enorm veranderd. De industriële ontwikkeling van het Roergebied betekende aansluiting op het spoornetwerk. De bouw van een militaire luchthaven en de bebossing van heideland gaven de Bönninghardt in de loop van de twintigste eeuw een geheel nieuwe uitstraling. Maar niet alle bewoners profiteerden van deze ontwikkeling, of wilden hun tradities en gewoontes zo gemakkelijk opgeven. Fritz Kempkes ging bijvoorbeeld nog tot 1958 langs de deuren met zijn bezems. Aan de Bönninghardter Straße 149 kunt u overigens een nagebouwde plaggenhut bekijken. Dat is zeker een bezoekje waard, vooral ook om een beter beeld te krijgen van de moeilijke levensomstandigheden in vroeger tijden.

Terug

De bezembinders

Meer informatie

Dijken vinden we bij zeeën, meren, rivieren en zelfs beken. Ze beschermen nederzettingen tegen hoogwater en maken het gebruik van het omliggende land pas mogelijk. De eenvoudigste bescherming tegen hoog water vinden we in Nederrijn in de vorm van zogenaamde terpen. Boerderijen zijn op aarden heuvels gebouwd en zien er bij overstromingen uit als eenzame eilanden in het water. Volgens het motto “ieder voor zich”, functioneert alles bij het eigen huis nog goed. Voor winst en behoud van weilanden en velden heeft men daarentegen behoefte aan een gesloten systeem van dijken.

Hoe intensiever een mogelijk overstromingsgebied benut wordt, des te grootscheepser wordt de dijkbouw, zodat het niet verwonderlijk is dat de hoge heren zich ermee bemoeiden.

In de 12e eeuw begon een graaf uit Kleef met de bouw van dijken, om zijn bezittingen winstgevender te maken. De regularisatie van het dijkwezen werd echter tot een uitdaging die de inzet van alle betrokkenen vereiste. Het zoeken naar een oplossing duurde eeuwen. Vorsten, bisdommen, steden en grondbezitters - die onder normale omstandigheden niet werkelijk met elkaar bevriend waren - sloten zich aaneen in zogenaamde dijkverenigingen (waterschappen?) Deze vaardigden verschillende dijkrechten en reglementen uit. Het resultaat was een behoorlijke lappendeken.

Het is daarom niet verwonderlijk dat het de ordelievende Pruisen waren die met “het Kleefse Dijkreglement” eindelijk een gesloten bandijk systeem vestigden dat sindsdien steeds verder werd uitgebreid en verbeterd. Tegenwoordig verzorgt het Dijkverband Xanten-Kleef alleen al 38 kilometer hoogwaterkeringen, het Dijkverband “Bislich Landsgrenze” 45 kilometer.

Sinds de eerste maatregelen ter bescherming tegen hoogwater heeft echter de kanalisering van de Rijn de voorwaarden voor hoogwater veranderd. De rivier voert steeds meer water steeds sneller voorbij. Met het verloop van de dijken hebben we nu eindelijk invloed op de hoogte van het hoogwater. Hoe meer vlaktes er ter overstroming aan de rivier overgelaten worden, des te lager kunnen de dijken zijn.

Terug

Dijken

Meer informatie

Zes zalmvissers uit Lüttingen en Bislich deden in 1858 een wel heel bijzondere vangst. Niet eens in het water, maar in een drooggevallen deel van het rivierbed. Vlakbij Bislich waren ze bezig om grote stenen te bedekken met grind om zo te voorkomen dat de scherpe rotsen hun netten kapot maakten. Tussen de kiezelstenen van de Rijn deden de vissers hun opmerkelijke vondst: een 1,44 m lang, bronzen beeld van een jongen. Het levensgrote beeld miste alleen de linker onderarm en was verder in een zeer goede conditie. Later werd vastgesteld dat het beeld circa 2000 jaar oud is. Tegenwoordig geldt het als een van de belangrijkste Romeinse bodemschatten ten noorden van de Alpen. De vissers hadden trouwens meteen in de gaten dat hun vangst geld kon opleveren. Ze brachten het beeld naar het plaatsje Lüttingen en stelden het, voorzien van lendendoek, tentoon. Een blik op de Lüttinger Knabe werpen, kostte 10 cent. Wie onder het lendendoek wilde kijken, moest er het dubbele bedrag bovenop leggen. Van hogerhand werd handelszin van de vissers echter al na korte tijd de kop ingedrukt. Het beeld werd in beslag genomen en naar Berlijn gestuurd, naar het bekende Pergamonmuseum om precies te zijn. Het jongetje van Lüttingen had echter nog meer reizen voor zich. In 1945 kwam het in Moskou terecht en later in Oost-Berlijn. Tegenwoordig is het beeld nog steeds te bewonderen in de Duitse hoofdstad, en wel in de Bacchus-zaal van het Neues Museum. In het RömerMuseum in Xanten en in het LandesMuseum Bonn zijn kopieën te zien. Maar zo ver hoeft u niet eens te reizen, want u kunt een bronzen afgietsel bewonderen op het marktplein in Lüttingen. En de vissers? Die hebben uiteindelijk toch nog geprofiteerd van hun vangst. Ze kregen een vindersloon van 4000 daalders en konden van dat geld nieuwe huizen kopen.

Terug

De Lüttinger Knabe

Meer informatie

U staat hier op het marktplein van Rheinberg. De imposante historische gebouwen uit verschillende periodes bewijzen dat deze stad eeuwenlang een rol van betekenis speelde. Het marktplein was, samen met de aangrenzende hout- en vismarkt, het handelscentrum van Rheinberg. Hier woonden de rijke patriciërs in hun representatieve stadspaleizen. Het waren machtige mensen. Aan de houtmarkt, in het gebouw Im Scheffel, werd in tijden van nood bijvoorbeeld graan opgeslagen. En de indrukwekkende, gewelfde kelder van wat nu het Hotel am Fischmarkt is, laat ook zien hoe belangrijk het gebouw ooit was. Zeker de moeite waard is ook de façade van het huis Zum Weißen Raben. Dat werd in de 16e/17e eeuw gebouwd in de stijl van de Nederlandse barok. Ook het laatgotische raadhuis uit de 15e eeuw, een van de oudste raadhuizen in de omgeving, is een bezoekje waard. Dat geldt ook voor de St.-Peter-kerk, wiens geschiedenis meer dan 900 jaar terug gaat. De waterpomp op de vismarkt is niet alleen een symbool van de stad, maar ook een bewijs van de lange traditie die de Pumpennachbarschaften – de pompgemeenschappen - hebben. De Pumpennachbarschaften waren groepen buren die samen waterbronnen, en later ook pompen, onderhielden. Dat deden ze niet alleen om te zorgen voor schoon drinkwater, maar ook om snel hulp te kunnen bieden als er brand uitbrak. En dat kwam vaak voor. Nog steeds is deze vorm van buurthulp actief, in alle denkbare noodsituaties. Ook het samen vieren van de pompkermis en alle andere feesten is een belangrijk bestanddeel van het leven in Rheinberg. De Pumpennachbarschaft van de vismarkt stamt uit 1788 en is daarmee de oudste van de stad. Rheinberg heeft een trotse historie van bedrijvigheid en in de 19e eeuw kwam een plaatselijke ondernemer, Hubert Underberg, op een wel heel lucratief idee, dat tot op de dag van vandaag succesvol is. Hij volgde het voorbeeld van de Nederlandse apotheker Boonekamp en creëerde in 1846 een eigen recept voor een kruidenbitter. Het werd vrijwel meteen een doorslaand succes en in 1869 lieten Hubert Underberg en zijn vrouw Katharina Albrecht het indrukwekkende fabrieksgebouw neerzetten. Dus als u een kruidige lucht ruikt, dan weet u dat het drankje weer volgens het geheime recept gebrouwen wordt. 

Terug

Historisch Rheinberg

Meer informatie

De Rijn en het omliggende landschap maken, zeker op mooie dagen, een bedrieglijk rustige indruk. Maar tot 150 jaar geleden stond dit door weilanden, knotwilgen en sloten gedomineerde landschap bloot aan het geweld van de Rijn. "En rustig stroomt de Rijn", dichtte Heinrich Heine dan wel in zijn Lorelei, maar dat was echt niet altijd zo. Het water kon met zo'n kracht door de dijken breken dat het landschap binnen een paar uur onherkenbaar was veranderd. Het woord Wooj vind zijn oorsprong in dat fenomeen. Het is namelijk een vijver die achterblijft na een dijkdoorbraak. In hoog tempo door het gat kolkend water boort als het ware een kuil in de grond. Als het hoogwater weer wegtrekt, blijft hier een soort vijvertje achter. Op deze plek brak de dijk bij een overstroming in de negentiende eeuw. En tot op de dag van vandaag ligt direct achter de hoofddijk nog steeds de Droste Woy, een langgerekte plas die toen is ontstaan. Tegenwoordig maakt het deel uit van een 600 hectare groot natuurgebied. De steile westelijke oever biedt ideale broedmogelijkheden voor de ijsvogel. Het komt niet vaak voor, maar mogelijk is het zeker: een aalscholver met zijn diepzwarte of blauwe verenpracht in het echt bewonderen. Het is een spectaculair gezicht wanneer er een in scheervlucht boven het water vliegt op zoek naar buit. Is de buit gespot, dan maakt het dier een plotselinge duikvlucht, letterlijk het water in, om het gewenste maaltje te vangen. Het dichte struikgewas aan de oevers is voor veel vogels, insecten en knaagdiertjes een fijne leefomgeving en dat geldt ook voor gestorven iepen. Hun oude stammen vol openingen zijn een paradijs voor insecten, maar ook voor steenuilen en verschillende soorten vleermuizen. In tijden waar deze diersoorten zeer bedreigd zijn, zijn natuurgebieden als de Droste Woy extra belangrijk.

Terug

Droste Woy

Meer informatie

Langs de Nederrijn lagen vroeger tal van kleine rijkjes. Langs hun grenzen bouwden ze verdedigingswerken. Als het mogelijk was, kozen ze voor natuurlijke hindernissen als de Rijn. Maar dat kon niet altijd en voor de uitvinding van het prikkeldraad, was een aangelegde waterweg de beste oplossing. De sloten en greppels werden met de hand gegraven. Ze hielpen ook bij de waterafvoer van de velden en droegen op die manier bij aan de landbouw in de omgeving.

De opgegraven aarde werd gebruikt om naast de sloot een vestingwal aan te leggen. Die werd vervolgens beplant met een doornhaag: een landweer. Samen met de middeleeuwse kastelen werd zo een sterke en complexe verdedigingslinie voor het hele gebied gevormd. Hier bij Huis Winnenthal is de circa 600 jaar oude landweer nog goed behouden gebleven, hoewel grote delen intussen zijn geëgaliseerd.

Het oorspronkelijke kasteel Winnenthal werd al in de veertiende eeuw gebouwd voor de vrouw van hertog Adolf I von Jülich. Het was een van de oudste kastelen aan het water van de Nederrijn. Helaas werd het in de Tweede Wereldoorlog compleet verwoest. Daarna werd er op het terrein onder andere bietenstroop en brandewijn geproduceerd en was er een restaurant. Na een omvangrijke verbouwing in de jaren tachtig van de vorige eeuw, wordt Winnenthal nu gebruikt als seniorenresidentie. En de landweer, ooit bedoeld om indringers buiten te houden, is tegenwoordig een ideale wandelroute.

Terug

De verdediging van Winnenthal

Meer informatie

40 jaar geleden draaide alles op het eiland Bislicher Insel om geld verdienen: er werd grind gewonnen en de campings waren drukbezocht. Tegenwoordig spelen flora en fauna de hoofdrol op het eiland. De campings zijn verdwenen en de grindindustrie is allang geleden vertrokken. Sindsdien heeft men kosten noch moeite gespaard om het oorspronkelijke, door de meanderende Rijn gevormde landschap weer in oude staat te herstellen. Bijvoorbeeld door wegen af te breken, oevers vlakker te maken en –heel belangrijk– hoogwatergeulen aan te leggen. De grote geulen achter de Rijndijk stromen vol bij overstromingen of heftige regenval. Zodoende is en passant voor steltlopers een echte oase gecreëerd. Die zijn immers gek op open, vochtige vlaktes. Daar kunnen de dieren, samen met hun jongen, zoeken naar insecten en wormen. De tureluur bijvoorbeeld. In de zachte ondergrond zoekt hij met zijn gevoelige, lange snavel naar lekkernijen. Zijn kenmerkende lokroep is hier al vanaf april te horen, dan komen de vogels terug van hun winterverblijfplaats. Ook kievieten doen rond deze tijd het gebied aan. Met imposante baltsvluchten verdedigen de mannetjes dan hun territorium. Met een beetje geluk kunnen de kijkers de duikvluchten meebeleven waarbij de dieren luid roepend in de lucht heen en weer zwenken en met hun vleugels een bonzend geluid maken. In vroeger tijden maakte men zich geen zorgen over het kievitsbestand- Bismarck nog kreeg tegen het einde van de 19e eeuw jaarlijks voor zijn verjaardag 101 van de als delicatesse bekend staande kievietseieren. De drastische terugloop van het kievitsbestand kan men echter niet aanrekenen aan de eiervoorliefde van Bismarck.

Vochtige natuurlandschappen zijn tegenwoordig zeldzaam. Dat komt omdat de grondwaterspiegel gemiddeld genomen daalt, grotendeels een gevolg van de kunstmatige stroombepaling van de Rijn en haar overloopgebieden. De rivier stroomt daardoor sneller,  en het water graaft zich steeds dieper in het rivierbed in. Ook het gemotoriseerde scheepsverkeer speet een rol. Sinds 1900 is het rivierbed meerdere meters gedaald. De drogere velden worden ook nog steeds intensiever gebruikt voor de landbouw, waarbij meer pesticiden en onkruidbestrijdingsmiddelen worden ingezet. Dat is slecht nieuws voor de insecten en dus hebben vogels steeds minder te eten. Bijzonder nadelig voor het broedbestand is het vroege maaien van de velden waaraan dan natuurlijk vele broedsels of jonge dieren ten offer vallen. De immense waarde van rustige oases als deze hier, is nauwelijks te onderschatten. Zeldzame vogels als de kemphaan of de bonte strandloper kiezen het eiland uit als rustplek tijdens hun vogeltrek. Dit zijn vogels die eigenlijk liever aan de kust vertoeven. Hier manifesteren ze zich als "wormtrappelaar": met hun getrappel zorgen ze voor kleine vibraties en lokken zo de regenwormen omhoog. Neem bij een bezoek de tijd om– natuurlijk van een afstandje – de steltlopers te bewonderen in dit idyllische natuurgebied.

Terug

De hoogwatergeulen op de Bislicher Insel

Meer informatie