Zes zalmvissers uit Lüttingen en Bislich deden in 1858 een wel heel bijzondere vangst. Niet eens in het water, maar in een drooggevallen deel van het rivierbed. Vlakbij Bislich waren ze bezig om grote stenen te bedekken met grind om zo te voorkomen dat de scherpe rotsen hun netten kapot maakten. Tussen de kiezelstenen van de Rijn deden de vissers hun opmerkelijke vondst: een 1,44 m lang, bronzen beeld van een jongen. Het levensgrote beeld miste alleen de linker onderarm en was verder in een zeer goede conditie. Later werd vastgesteld dat het beeld circa 2000 jaar oud is. Tegenwoordig geldt het als een van de belangrijkste Romeinse bodemschatten ten noorden van de Alpen. De vissers hadden trouwens meteen in de gaten dat hun vangst geld kon opleveren. Ze brachten het beeld naar het plaatsje Lüttingen en stelden het, voorzien van lendendoek, tentoon. Een blik op de Lüttinger Knabe werpen, kostte 10 cent. Wie onder het lendendoek wilde kijken, moest er het dubbele bedrag bovenop leggen. Van hogerhand werd handelszin van de vissers echter al na korte tijd de kop ingedrukt. Het beeld werd in beslag genomen en naar Berlijn gestuurd, naar het bekende Pergamonmuseum om precies te zijn. Het jongetje van Lüttingen had echter nog meer reizen voor zich. In 1945 kwam het in Moskou terecht en later in Oost-Berlijn. Tegenwoordig is het beeld nog steeds te bewonderen in de Duitse hoofdstad, en wel in de Bacchus-zaal van het Neues Museum. In het RömerMuseum in Xanten en in het LandesMuseum Bonn zijn kopieën te zien. Maar zo ver hoeft u niet eens te reizen, want u kunt een bronzen afgietsel bewonderen op het marktplein in Lüttingen. En de vissers? Die hebben uiteindelijk toch nog geprofiteerd van hun vangst. Ze kregen een vindersloon van 4000 daalders en konden van dat geld nieuwe huizen kopen.

Terug

De Lüttinger Knabe

Meer informatie

U staat hier op het marktplein van Rheinberg. De imposante historische gebouwen uit verschillende periodes bewijzen dat deze stad eeuwenlang een rol van betekenis speelde. Het marktplein was, samen met de aangrenzende hout- en vismarkt, het handelscentrum van Rheinberg. Hier woonden de rijke patriciërs in hun representatieve stadspaleizen. Het waren machtige mensen. Aan de houtmarkt, in het gebouw Im Scheffel, werd in tijden van nood bijvoorbeeld graan opgeslagen. En de indrukwekkende, gewelfde kelder van wat nu het Hotel am Fischmarkt is, laat ook zien hoe belangrijk het gebouw ooit was. Zeker de moeite waard is ook de façade van het huis Zum Weißen Raben. Dat werd in de 16e/17e eeuw gebouwd in de stijl van de Nederlandse barok. Ook het laatgotische raadhuis uit de 15e eeuw, een van de oudste raadhuizen in de omgeving, is een bezoekje waard. Dat geldt ook voor de St.-Peter-kerk, wiens geschiedenis meer dan 900 jaar terug gaat. De waterpomp op de vismarkt is niet alleen een symbool van de stad, maar ook een bewijs van de lange traditie die de Pumpennachbarschaften – de pompgemeenschappen - hebben. De Pumpennachbarschaften waren groepen buren die samen waterbronnen, en later ook pompen, onderhielden. Dat deden ze niet alleen om te zorgen voor schoon drinkwater, maar ook om snel hulp te kunnen bieden als er brand uitbrak. En dat kwam vaak voor. Nog steeds is deze vorm van buurthulp actief, in alle denkbare noodsituaties. Ook het samen vieren van de pompkermis en alle andere feesten is een belangrijk bestanddeel van het leven in Rheinberg. De Pumpennachbarschaft van de vismarkt stamt uit 1788 en is daarmee de oudste van de stad. Rheinberg heeft een trotse historie van bedrijvigheid en in de 19e eeuw kwam een plaatselijke ondernemer, Hubert Underberg, op een wel heel lucratief idee, dat tot op de dag van vandaag succesvol is. Hij volgde het voorbeeld van de Nederlandse apotheker Boonekamp en creëerde in 1846 een eigen recept voor een kruidenbitter. Het werd vrijwel meteen een doorslaand succes en in 1869 lieten Hubert Underberg en zijn vrouw Katharina Albrecht het indrukwekkende fabrieksgebouw neerzetten. Dus als u een kruidige lucht ruikt, dan weet u dat het drankje weer volgens het geheime recept gebrouwen wordt. 

Terug

Historisch Rheinberg

Meer informatie

Langs de Nederrijn lagen vroeger tal van kleine rijkjes. Langs hun grenzen bouwden ze verdedigingswerken. Als het mogelijk was, kozen ze voor natuurlijke hindernissen als de Rijn. Maar dat kon niet altijd en voor de uitvinding van het prikkeldraad, was een aangelegde waterweg de beste oplossing. De sloten en greppels werden met de hand gegraven. Ze hielpen ook bij de waterafvoer van de velden en droegen op die manier bij aan de landbouw in de omgeving.

De opgegraven aarde werd gebruikt om naast de sloot een vestingwal aan te leggen. Die werd vervolgens beplant met een doornhaag: een landweer. Samen met de middeleeuwse kastelen werd zo een sterke en complexe verdedigingslinie voor het hele gebied gevormd. Hier bij Huis Winnenthal is de circa 600 jaar oude landweer nog goed behouden gebleven, hoewel grote delen intussen zijn geëgaliseerd.

Het oorspronkelijke kasteel Winnenthal werd al in de veertiende eeuw gebouwd voor de vrouw van hertog Adolf I von Jülich. Het was een van de oudste kastelen aan het water van de Nederrijn. Helaas werd het in de Tweede Wereldoorlog compleet verwoest. Daarna werd er op het terrein onder andere bietenstroop en brandewijn geproduceerd en was er een restaurant. Na een omvangrijke verbouwing in de jaren tachtig van de vorige eeuw, wordt Winnenthal nu gebruikt als seniorenresidentie. En de landweer, ooit bedoeld om indringers buiten te houden, is tegenwoordig een ideale wandelroute.

Terug

De verdediging van Winnenthal

Meer informatie

Kastelen en burchten vormen een enorme verrijking van ons cultuurlandschap. Vaak gelegen op een landgoed zijn het niet alleen interessante bestemmingen voor een dagje uit, maar ze bieden ook een fascinerend inkijkje in de geschiedenis. Om burchten en kastelen zijn in de loop der tijd veel conflicten uitgevochten – tussen plaatselijke baronnen en hertogen, maar soms ook tussen kasteelheren en steden. En zoiets lijkt hier ook te zijn gebeurd. Het is onbekend wanneer het Haus Rodehorst precies is gebouwd. We vinden het in de archieven voor het eerst terug in 1386. En we weten bijna zeker dat de burgerwacht van Bocholt het landgoed 50 jaar later veroverde en met de aardbodem gelijk maakte. Volgens de legende woonde hier de zogenoemde “Arge Ritter Rowatasche“. Wat hij misdaan had om de mannen van de burgerwacht zo tegen zich in het harnas te jagen, weten we niet precies. In elk geval heeft hij zijn slechte imago nooit af kunnen schudden. Het kasteel dat daarna op het terrein van Rowatasche werd gebouwd, werd verwoest tijdens een oorlog aan het einde van de zestiende eeuw. Het huidige Haus Rodehorst werd ongeveer een eeuw later gebouwd, in de stijl van de Nederlandse barok.

Terug

Ridders en kunst

Meer informatie

Als de Rijn bij ongewoon hoogwater buiten zijn oevers treedt en het omliggende land overstroomt, krijgen we iets heel bijzonders te zien. Waar eerst groene velden waren, is nu alleen nog maar water. Daar steken alleen nog wat bomen, bossen en een enkele boerderij bovenuit. Die zijn namelijk ooit op kleine heuvels gebouwd. En dat is geen toeval. De zogenaamde terpen werden precies voor dit doel opgeworpen - als noodzakelijke aanpassing aan de onvoorspelbare stroming van de rivier.

 

Tot op de dag van vandaag vinden we meerdere terpen aan de Nederrijn, steeds daar waar boerderijen in de uiterwaarden tussen de Rijn en de dijk zijn gebouwd. Want hoewel de loop van de Rijn is verrecht en wordt gecontroleerd - en hoewel de dijken grote overstromingen van het achterland verhinderen – overstromen de uiterwaarden nog steeds met enige regelmaat. Als dat gebeurt, moeten de mensen die hier wonen alles – van melktransport tot schoolbezoek – met de boot doen.

 

Ook de huizen rond het Naturforum op het Bislicher-eiland waren oorspronkelijk op een terp gebouwd. Het gehele landschap is hier gevormd de steeds veranderende loop van de Rijn. In de Romeinse tijd was het Bislicher-eiland nog een echt eiland, met aan de noordzijde de Rijn en aan de zuidkant een zijarm van de rivier. Later verlegde de Rijn zijn hoofdstroom steeds meer in zuidelijke richting. Het was Frederik de Grote die de Rijn in de achttiende eeuw liet reguleren en ongeveer in zijn huidige vorm dwong. Het oude rivierbed verloor daarmee zijn permanente verbinding met de hoofdstroom.

 

Tot op de dag van vandaag is het Bislicher-eiland nog overstromingsgebied en dat is een geluk voor de planten en dieren. En voor ons mensen zijn de terpen dus veel meer dan een overblijfsel uit voorbije tijden, maar nog steeds noodzakelijk om droge voeten te houden.

Terug

De terpen

Meer informatie

Let op, u bevindt zich hier in het grensgebied! Dat valt misschien niet meteen op, maar eeuwenlang was de rivier de Issel (de Oude IJssel in het Nederlands) een grens. Een rivier is natuurlijk bij uitstek geschikt als grensmarkering: duidelijk zichtbaar en niet zomaar over te steken. De Issel stroomt via de IJssel, zelf een aftakking van de Rijn, tot aan het IJsselmeer en speelde daardoor altijd een belangrijke rol in de contacten tussen verschillende volkeren. Maar hier, in Noordrijn-Westfalen speelt de rivier in de geschiedenis voornamelijk een rol als grens. De Romeinen legden hier al versterkingen aan en ook voor het Frankische Rijk – de Christelijke wereldmacht van de vroege middeleeuwen – vormden de Rijn en de Issel de grens van hun invloedssfeer. Zelfs na Karel de Grote, toen het rijk werd opgedeeld, speelde de rivier een belangrijke rol. Het Hertogdom Kleef en het Aartsbisdom Münster voerden namelijk een lange strijd om het precieze grensverloop in dit gebied vast te stellen.

Sindsdien stroomde er al veel water door de Issel. De stad Hamminkeln in het Kreis Wesel omvat meerdere Nederrijnse en Westfaalse dorpen. En dat speelt ook tegenwoordig nog een rol in het leven van de mensen die hier wonen. In elk geval is de grens tussen Nederrijn en Münsterland nog steeds duidelijk te horen.

Dingden en Wertherbruch, twee dorpskernen binnen Hamminkeln, liggen slechts 5 kilometer van elkaar, maar wel op de linker- en de rechteroever van de rivier. En daarom spreken de inwoners van een en dezelfde stad een ander dialect. Het is wetenschappelijk bewezen. Als u in Dingden een bakkerij binnenloopt om een brood te kopen, hoort u Westfaals. In Wertherbruch wordt u in het Nederrijns dialect begroet. Een Dingdener Wittbrot (wittebrood) heet in Wertherbruch een Wegge of Stute. In het Westfaals is een beschuit Twieback, maar in Wertherbruch noemt men het Beschütt. Gelooft u het niet? Probeert u in Wertherbruch maar eens een krant te kopen, die heet daar Blatt. De inwoners van Dingden zouden u verwonderd aankijken, die noemen het een Zeitung.

Terug

De Issel als grens

Meer informatie

Wie heeft er zin in een wijnproeverij ? Een exclusief glaasje uit het Nederrijn-gebied? De beroemde Riesling uit Rheinberg misschien? Of anders een „Büdericher Spätlese“? Vindt u dat raar klinken? Dat klopt inderdaad wel, want de Nederrijn staat niet bekend als wijngebied. Nog niet, in elk geval. Want de klimaatverandering kan er al in een paar decennia voor zorgen dat hier aan de ideale voorwaarden voor wijnbouw wordt voldaan. Maar ook nu al worden door heel Duitsland, zelfs op het eiland Sylt –  het meest noordelijke puntje van Duitsland – wijn aangebouwd door hobbyisten en professionele wijnboeren. En we weten dat ook in het verleden wijn werd verbouwd aan de Nederrijn. Dat ging natuurlijk niet om exquise druivensoorten – dat was in het Nederrijnse klimaat nooit mogelijk. De meeste jaren leverden een nogal zuur resultaat op, dat alleen gezoet met honing nog een beetje te drinken was. De wijn van het Klooster Kamp had bijvoorbeeld een bijzonder slecht imago in de streek. De spreuk:  „Kamper wijn, zorgt voor pijn“, deed niet voor niets de rondte. Maar toch, al sinds de Romeinen de wijn naar dit gedeelte van Europa brachten, werd steeds opnieuw geprobeerd geschikte druiven aan te bouwen en wijn te persen. Omdat er in de middeleeuwen, tussen de negende en de veertiende eeuw, een relatief gematigd klimaat heerste, ging dat overigens ook een hele periode redelijk goed. Nog maar 250 jaar geleden was wijnbouw heel normaal in Keulen of Neuss, en die steden liggen echt niet veel zuidelijker. In de omgeving van Wesel vinden we tot de Vroegmoderne Tijd wijnbouwgebieden terug, onder andere in Büderich, Rheinberg, Moers en Xanten. Wijn was immers niet alleen in de kerk als miswijn onmisbaar, dankzij de alcohol bevatte het ook minder bacteriën dan bijvoorbeeld water. In de middeleeuwen was wijn bovendien een van de belangrijkste handelsgoederen. Dus de gemiddelde middeleeuwer was blij als hij de wijn voor eigen gebruik zelf aan kon bouwen. Ook al was het dan wat zuur.

Terug

Wijnbouw

Meer informatie

Zolang er mensen zijn, worden er oorlogen uitgevochten. Onschuldige burgers worden dan altijd het slachtoffer. Vaak hebben bewoners van oorlogsgebieden, geen andere keuze dan huis en haard te verlaten om het vege lijf te redden. Soms worden zelfs hele dorpen met de grond gelijk gemaakt. Dat gebeurde bijvoorbeeld met Büderich, dat op het verkeerde moment op de verkeerde plek bleek te liggen. Want direct tegenover het dorp, op de rechteroever van de Rijn, lag vesting Festung Wesel. Deze vormde vanaf 1805 het uiterste puntje van het Napoleontische Rijk en werd in de jaren daarna uitgebouwd tot een belangrijk verdedigingsbastion. Er werden twee forten gebouwd, het een op het eiland Büderich, het andere direct voor de poorten van het stadje. Al toen Napoleon – op weg naar Rusland – langs het stadje kwam, zou hij er een duidelijke mening over de toekomst van Büderich op na hebben gehouden. Naar verluidt sprak hij de woorden: "dat nest moet hier weg". Op de terugtocht na zijn nederlaag, twee jaar later, gaf hij daadwerkelijk de opdracht om het stadje te verwoesten en zo een vrij schootsveld te creëren. De inwoners kregen twee dagen de tijd om hun spullen te pakken en hun huizen te verlaten. Een gedenksteen aan de Weseler Straße herinnert nog aan het oude Büderich. De waarde van de gebouwen werd overigens wel getaxeerd en later als schadeloosstelling tenminste deels uitgekeerd. En zo erg hadden de inwoners van Büderich het nu ook weer niet getroffen. De Pruisische regering bouwde het plaatsje tussen 1815 en 1822 weer op als Neu-Büderich. De nieuwe stad ligt iets ten zuiden van de oorspronkelijke plek en werd twee keer zo groot. In de rechthoekige plattegrond met de brede straten is het Pruisische, militaire handschrift overigens nog duidelijk te herkennen. De twee classicistische kerken aan het marktplein zijn ontworpen door Karl Friedrich Schinkel en vormen samen met de overige architectuur een indrukwekkend ensemble. Neu-Büderich is een bezoekje dan ook meer dan waard. 

Terug

Neu-Büderich

Meer informatie

Een middeleeuwse hertog die jarenlang om de heerschappij van een regio had gestreden en uiteindelijk als winnaar uit die strijd was gekomen, deed er verstandig aan om zijn claim op de wereldlijke macht kracht bij te zetten en ook de geestelijke machten tevreden te stellen – bijvoorbeeld door een klooster te stichten.

En dat is precies wat hier bijna 600 jaar geleden is gebeurd. De omgeving was het toneel van heftige strijd tussen het hertogdom Kleef en het prinsbisdom Münster. Uiteindelijk werd het geschil met een compromis beslecht: de hertog van Kleef werd de soeverein, terwijl het bisdom Münster de kerkelijke macht mocht uitoefenen. Kort daarna schonk Johann von Capellen, een ambtenaar aan het hof van Kleef, zijn landgoed – de Dingdener Hufe aan de Augustijner kanunniken. Op hun beurt verkochten zij het slechts vijf jaar later al weer aan het Kruisbroedersconvent in Osterberg bij Osnabrück. Zouden de Augustijners later spijt van deze beslissing hebben gekregen? Marienvrede werd al snel een belangrijk cultureel en economisch centrum. Het werd vooral bekend als plaats waar de schrijfkunst werd beoefend. Meerdere schenkingen maakten het klooster een van de rijkste van de orde. Net als andere kloosters, overleefde ook Marienvrede de secularisatie van de twintigste eeuw niet. Het klooster werd opgeheven en nadat ook de laatste monniken waren vertrokken, begon men met het verkopen van de bezittingen. De gebouwen werden stuk voor stuk afgebroken en een deel van de stenen werd opnieuw gebruikt als bouwmateriaal in Dingden. In 1973 werd bij werkzaamheden een gemetselde gang ontdekt. Misschien waren dit wel de resten van een geheime verbindingsgang tussen het klooster en het toenmalige kloostercafé, waarover in Dingden nog altijd verhalen de ronde doen. Op droge zomerdagen zijn in de weide nog steeds de fundamenten van de kloosterkerk te zien. Ook de wapensteen met een afbeelding van het echtpaar Johann en Agnes von Capellen is nog te bewonderen - en wel in het Heimathaus in Dingden. Het klooster, dat eeuwenlang bepalend was voor het landschap en het dagelijks leven van de mensen, laat zo nog altijd veel sporen na.

Terug

Marienvrede

Meer informatie