Er was eens een reus. Hij was meer dan 100 meter lang en lang, lang geleden maakte hij een hoge heuvel van stenen en zand... Ach, u heeft geen zin in sprookjes? Maar dit is geen sprookje, het is een waar gebeurd verhaal. En het speelde zich precies hier af. Maar we moeten wel ver terug in de tijd, ongeveer een kwart miljoen jaar. En de reus was geen sprookjesfiguur, maar een indrukwekkende gletsjer, die zich tijdens de laatste ijstijd van Scandinavië tot de Nederrijn bewoog. Het enorme gewicht van de ijsmassa's duwde zand, kiezels en gruis uit het rivierbed van de Rijn voor zich uit. Toen het weer warmer werd, verdween de gletsjer uiteindelijk, maar de ophoping van stenen die de gletsjer had veroorzaakt, bleef liggen en vormde de Nederrijnse Heuvelrug. Tot op de dag van vandaag is goed te zien in welke richting de gletsjer zich bewoog. Aan de zuidwestelijke kant – zeg maar de achterkant van de heuvelrug – glooit het landschap zachtjes. Aan de noordoostkant zijn echter duidelijk steile hellingen te zien, de eindmorene.

Aan het landschap is natuurlijk niet te zien dat de heuvelrug bestaat uit zand en stenen. Het is wel te merken aan de manier waarop het landschap wordt gebruikt. Een groot deel van de heuvelrug was – en is deels nu nog – bebost. De mensen gebruikten het bos voor het hout en bouwden hun nederzettingen aan de voet van de heuvelrug. Akkerbouw is hier nauwelijks mogelijk. De ondergrond bestaat uit zand en kiezels en er is nauwelijks water. Dat moesten de immigranten uit de Palts, die hier in de 18e eeuw een leven op wilden bouwen, op pijnlijke wijze ontdekken. De Bönninghardt was decennia lang een arme regio. Als bezembinders probeerden de mensen het hoofd boven water te houden. Ze moesten wel, want landbouw was hier dus niet mogelijk. Pas de uitvinding van de kunstmest veranderde dat. Tegenwoordig wordt het landschap dan ook gekenmerkt door veel akkerbouw en een beetje bos.

Terug

De Nederrijnse Heuvelrug

Resten uit de ijstijd

Er was eens een reus. Hij was meer dan 100 meter lang en lang, lang geleden maakte hij een hoge heuvel van stenen en zand... Ach, u heeft geen zin in sprookjes? Maar dit is geen sprookje, het is een waar gebeurd verhaal. En het speelde zich precies hier af. Maar we moeten wel ver terug in de tijd, ongeveer een kwart miljoen jaar. En de reus was geen sprookjesfiguur, maar een indrukwekkende gletsjer, die zich tijdens de laatste ijstijd van Scandinavië tot de Nederrijn bewoog. Het enorme gewicht van de ijsmassa's duwde zand, kiezels en gruis uit het rivierbed van de Rijn voor zich uit. Toen het weer warmer werd, verdween de gletsjer uiteindelijk, maar de ophoping van stenen die de gletsjer had veroorzaakt, bleef liggen en vormde de Nederrijnse Heuvelrug. Tot op de dag van vandaag is goed te zien in welke richting de gletsjer zich bewoog. Aan de zuidwestelijke kant – zeg maar de achterkant van de heuvelrug – glooit het landschap zachtjes. Aan de noordoostkant zijn echter duidelijk steile hellingen te zien, de eindmorene.

Aan het landschap is natuurlijk niet te zien dat de heuvelrug bestaat uit zand en stenen. Het is wel te merken aan de manier waarop het landschap wordt gebruikt. Een groot deel van de heuvelrug was – en is deels nu nog – bebost. De mensen gebruikten het bos voor het hout en bouwden hun nederzettingen aan de voet van de heuvelrug. Akkerbouw is hier nauwelijks mogelijk. De ondergrond bestaat uit zand en kiezels en er is nauwelijks water. Dat moesten de immigranten uit de Palts, die hier in de 18e eeuw een leven op wilden bouwen, op pijnlijke wijze ontdekken. De Bönninghardt was decennia lang een arme regio. Als bezembinders probeerden de mensen het hoofd boven water te houden. Ze moesten wel, want landbouw was hier dus niet mogelijk. Pas de uitvinding van de kunstmest veranderde dat. Tegenwoordig wordt het landschap dan ook gekenmerkt door veel akkerbouw en een beetje bos.

Naar het overzicht Volgende pagina Naar het overzicht