Iedereen kent de dreigende scenes wel uit Hitchcocks film The Birds, waar tientallen kraaien zich verzamelen om tot aanval over te gaan. Gelukkig vormen deze vogels in werkelijkheid geen bedreiging voor mensen. Maar, waar is waar: in bepaalde seizoenen verzamelen ze zich graag in grote groepen. Vervelend en bedreigend zijn ze ook dan niet, hooguit kan het onaangenaam zijn onder zo'n grote groep vogels door te lopen als ze zich in de boomtoppen hebben genesteld. Hier - aan de Weseler Ring -  bouwen grote groepen roeken hun nesten al sinds jaar en dag in koloniën. Hun zwarte veren en hun gedeeltelijk witte snavel onderscheidt ze van andere kraaiachtigen. Deze intelligente, groepsdieren communiceren actief met elkaar. In de lente laten ze bijzondere vluchtformaties zien en zijn ze ook te bewonderen terwijl ze in de boomtoppen spelen. Dan schommelen ze op de takken of laten ze takjes of besjes vallen om ze daarna weer op te vangen. Paartjes blijven hun hele leven bij elkaar en zorgen samen voor de kleintjes. Ze hebben een zeer divers dieet. Het liefste eten ze regenwormen, kevers en naaktslakken; af en toe ook muizen, vogeleieren of kadavers. En voor de vitaminen soms ook vruchten, noten en vers uitgezaaide zaden. Dat is ook de reden dat er nog steeds illegaal op ze wordt gejaagd, dat ze worden vergiftigd en dat hun nesten worden leeggehaald. En dat terwijl deze vogels zelf veel insecten en ongedierte eten. Ook hier in de omgeving zijn de roeken niet altijd even welkom. Omdat hun vogelpoep de straat vervuilt en ook omdat de vogels, die zo graag zingen, veel lawaai kunnen produceren. De roeken hebben trouwens wel goede redenen om het stadscentrum op te zoeken: hier vinden ze nog groene lanen met hoge, oude bomen. Ideaal om hun nesten in te bouwen. Bovendien wordt er hier niet op ze gejaagd. Het is dan ook geen wonder dat medewerkers van het district Wesel ieder jaar rond de 240 nesten tellen aan de Mittelallee. Wie hier een wandelingetje wil maken in de maanden tussen maart en juni, kan voor de zekerheid dus maar beter een paraplu meenemen. Ook als de zon schijnt.

Terug

Kraaien

Meer informatie

Er zijn maar weinig mensen die zich verheugen op een middagje grasmaaien. Denkt u zich dan eens in, hoe het zou zijn om het gras op de dijk te moeten maaien. Dat is natuurlijk nog eens wat anders dan een normale tuin. Gelukkig is er een veel betere oplossing. Een schaap is namelijk een ideale grasmaaier voor dijken. Of beter gezegd: een kudde schapen. Daarom kunt u hier overal bij de dijken schapen tegen het lijf lopen. Ook in kustregio's, bijvoorbeeld aan de Noordzee, worden graag schapen gebruikt. Schapen houden namelijk niet alleen het gras aangenaam kort, maar stampen en passant ook de bodem aan. En een goed aangestampte bodem met overal graswortels is een effectieve bescherming tegen dijkerosie en overstromingen. Dus schapen zijn niet alleen maar goed voor wol, vlees, melk of kaas – op zich al reden genoeg voor de mensheid om al ongeveer 5000 jaar schapen te houden – ze helpen ook nog bij het voorkomen van overstromingen en milieubeheer. Zo helpen ze ook de soortenrijkdom in stand te houden. Dijken staan weliswaar niet bekend als bloemenzee, maar hier zijn toch enkele bij insecten zeer populaire planten te vinden, zoals het Knoopkruid, de Glad walstro en het Duizendblad. Machinaal grasmaaien is slecht voor de planten en daarmee ook voor de insecten. Maar door schapen de dijken te laten begrazen, wordt ook nog eens gegarandeerd dat de bloemen kunnen bloeien en de insecten kunnen leven.

Terug

Schapen

Meer informatie

MP3 Download

Waarschijnlijk het meest efficiënte middel tegen steekmuggen is een oude schuur. Een oud dak heeft ook voordelen. Een meer is leuk, graag een paar oude bomen en natuurlijk een weiland met veel inheemse wilde bloemen, die insecten lokken. Dan neemt namelijk de kans toe dat vleermuizen zich prettig voelen en die lusten graag muggen. In elk geval de dwergvleermuis. Een volwassen dier weegt zoveel als een suikerklontje en past met opgevouwen vleugels in een luciferdoosje. Dat zou hem natuurlijk wel wat te nauw zijn, maar vleermuizen houden wel van nauwte, bijvoorbeeld scheuren in huismuren, in holen, dakgevels of bomen. In hun winterkwartieren hangen ze dicht tegen elkaar aan om zo weinig mogelijk energie te verliezen, want die hebben ze nodig om na een lange winterslaap weer wakker te worden. Ook ‘s zomers in de kraamkolonie gaat het nogal opdringerig toe. 20 tot 50 moederdieren bekommeren zich hier in de nauwste ruimtes om hun jongen. Van daaruit gaan de stuntvliegers ’s avonds en ’s nachts op jacht. Daarbij zijn hun jachtgebieden en strategieën verschillend. De dwergvleermuis jaagt graag aan bosranden en boven watertjes. De vale vleermuis is de grootste vleermuissoort die voorkomt op het Europese vasteland. Deze soort is zelf niet alleen groot, maar heeft haar prooi graag ook aan de forse kant. Ze eten bijvoorbeeld motten of nog liever grote kevers. De vale vleermuis houdt van open velden, akkers en bosranden, maar jaagt ook tussen de bomen en is ook in staat om al kruipend over de grond op buit te jagen. Bij allen gemeenschappelijk is het gebruik van echoplaatsbepaling. Met hun larynx of strottenhoofd zenden ze hoogfrequente geluidsgolven uit, die door voorwerpen in de omgeving weerkaatst worden. De echo nemen de vleermuizen dan met hun fijne gehoor waar en kunnen daardoor soort en afstand van het object goed bepalen. Voor de mens zijn de meeste in het ultrasone gebied liggende tonen niet hoorbaar. Maar wat hebben ze met kerken te maken? Kerkdaken worden in verreweg de meeste gevallen niet gebruikt en zijn dus rustig. Bovendien hebben ze het juiste microklimaat. Kortom: ze vormen ideale habitat voor vleermuizen. In de vliering van enkele kerken hebben de natuurbeschermers van het „Biologische Station im Kreis Wesel“ daarom speciale vleermuisverblijven ingericht, om een alternatief te bieden voor de natuurlijke winterverblijven, die steeds vaker verdwijnen door huisrenovaties, sloop en door de afname van het aantal geschikte bomen. Samen met groepen jongeren creëren de natuurbeschermers hangplekken, schuilholen en, heel belangrijk, vliegopeningen voor de vleermuizen. Regelmatige controles tonen aan dat de beschermde dieren hier een fijne plek hebben gevonden en de inspanningen van de natuurbeschermers echt resultaat opleveren. Het feit dat de vale vleermuis, en ook de grijze en bruine grootoorvleermuizen, in het district Wesel voorkomen is heel bijzonder! En het zijn nog trouwe kerkgangers ook.

Terug

Vleermuizen

Meer informatie

Niemand slaat graag met zijn hoofd tegen een boom. Laat staan met de snelheid van een pneumatische boor. Toch? Een verwoestende hoofdpijn zou nog wel het minste zijn, een hersenschudding is een waarschijnlijker gevolg. Toch doen spechten precies dat, en wel de hele dag door. Tot wel 12.000 keer per dag. Hoe dat kan? Het heeft een aantal redenen. De hersens van deze vogels zitten relatief vast in hun kop en slingeren dus niet heen en weer zoals bij mensen het geval zou zijn. De hersenen worden beschermd door sterke botten en zitten bovendien boven de snavel, zodat het geweld van de inslag niet direct doorwerkt op de hersens. Verder breken de buigzame botten en de krachtige snavelspieren de hardste schokken, als een soort ingebouwde schokbrekers. Zo'n bijzondere uitrusting hebben deze vogels ook wel nodig. Met hun geklop communiceren spechten – veel zingen doen ze namelijk niet – en ze hebben het nodig om te kunnen overleven. Ze kloppen namelijk niet alleen het schors van de boom om zo lekkere hapjes als kevers of mieren te vinden – en in de lente om het zoete sap van de esdoorn of berkenboom te kunnen drinken­ –, maar ze timmeren zo ook hun huisje in de boom. Daarvan profiteren naast de specht trouwens nog ongeveer 60 andere diersoorten. Als de specht eenmaal toe is aan een nieuw onderkomen, biedt het een thuis aan eekhoorntjes, vleermuizen of horzels. Dat maakt de specht tot dé aannemer van het bos. Zijn aanwezigheid staat garant voor een levendig en veelzijdig bos. Opvallend genoeg hoort bij een levend bos namelijk veel dood hout. Dat hebben spechten ook nodig. Niet alleen omdat daar zoveel voedzame insecten te vinden zijn, maar ook gewoon omdat het makkelijker is om dood hout uit te hollen. Hier langs de Nederrijn is vooral de grote bonte specht te bewonderen, maar ook de markante zwarte en groene spechten komen hier voor. Voor de echte kenners: ook de middelste en kleine spechten worden hier weleens gespot.

Terug

De Specht

Meer informatie

Van kasteel tot paradijs voor amfibieën

Meer informatie

De Dominicaanse bongerd

Meer informatie

De bever is het grootste knaagdier van het noordelijk halfrond, zijn plompe en gedrongen lichaam bereikt samen met zijn afgeplatte en schubbige staart een totale lengte tot wel 130 cm.
Oorspronkelijk inheems van Zuid-Europa tot in Noord- Azië werd de bever vanwege zijn waardevolle huid gejaagd en bijna uitgeroeid.
In veel gebieden heeft hij zich intussen weer succesvol gevestigd.
Bevers zijn bijzonder goed aangepast aan het leven in het water en voeden zich vegetarisch.
Zij prefereren de door oeverbossen omgeven beken en meren. De wateren mogen zomers niet droogvallen en in de winter niet tot op de bodem bevriezen.
Daarbij vormen zij op actieve wijze hun leefomgeving, bouwen burchten, dammen beken af en vellen bomen, waardoor ze nieuwe leefruimte voor planten en dieren scheppen.
De ingang van een beverhuis ligt altijd onder de waterspiegel De beroemde beverdam draagt eraan bij om de waterstand boven de ingang van het huis en rond de beverburcht te regelen.
Hun lange knaagtanden hebben een oranjekleurige laag glazuur en groeien gedurende het hele leven. Neus en oren kunnen onder water gesloten worden. De ogen worden bij het duiken door een derde ooglid, het zogenaamde knipvlies, beschermd.
Een dichte bruine vacht houdt ze warm en droog. De vacht wordt regelmatig gereinigd en met een vethoudende klierafscheiding, het bevergeil (castoreum), verzorgd. Deze stof was zo gewild dat de winning ervan zelfs sterk bijdroeg aan de bedreiging [van de bever].
Het bevergeil, waaraan een erotiserende werking wordt toegeschreven, is een bestanddeel van diverse parfums.
Tot in de late Middeleeuwen was het Christenen niet toegestaan gedurende de vasten rood vlees te eten. Omdat hij hoofdzakelijk in het water leeft en zijn schubbige staart aan een vis doet denken, werd in het Concilie van Konstanz besloten dat de bever een waterdier was en daardoor geschikt was als voedsel tijdens de vasten.

Terug

Mogen we voorstellen:

Meer informatie