Bij zomerse uitstapjes naar de Benedenrijn nodigt de bandijk uit tot een aangename wandeling.
Van daaruit hebben we een idyllisch uitzicht op weiden, waterlopen, velden, de natuur erom heen is groen en vreedzaam. Verderop loopt de Rijn maar die kunnen we met het oog niet meer onderscheiden. Een situatie die zich zo nu en dan heel snel wijzigt.
Als in het voorjaar, in het stroomgebied van een rivier, de sneeuw smelt of hevige regenval de zijrivieren doet aanzwellen, kan de Rijn in de kortst mogelijke tijd buiten zijn oevers treden en de lagergelegen gebieden overstromen. De bandijk scheidt dan de uiterwaarden, waar het groene waterloopgebied in een enorm meer veranderen kan, van het achterland dat, zoals de mens wenst, niet overstroomd mag worden. Zijn hoogte geeft aan met welk bereik van hoogwater we rekenen, daarbij heeft hij zelf aanzienlijke invloed op de omvang van de hoogwaterstand.
Toen de Rijn nog over uiterwaard tot uiterwaard beschikte en heerste, veranderde hij dat gebied soms wel in een enorme watervlakte, maar deze was zeer ondiep. Een kleine, soms amper een meter hoge beschermingsdam was afdoende om huis en haard te beschermen. Hoe minder ruimte we echter aan de stroom bij hoogwater geven, des te hoger en sterker dienen de dijken te worden. Als nu een dijk mocht doorbreken bij hoog water, staan we echter niet meer tot de heupen in het water, maar kunnen gehele dorpen om hun bestaan strijden.
De waterhoogtes die we bestrijden, hebben we met de bandijk zelf uiteindelijk bewerkstelligd. Het is dus zaak het nauwe evenwicht te vinden tussen de positie van de dijk en zijn hoogte. Hoe meer overstromingsruimte een rivier heeft des te lager kunnen de dijken zijn. Om dit evenwicht opnieuw in te schatten kan een der grote uitdagingen zijn in een tijd van klimaatsveranderingen.

Terug

De “Bandijk”

Meer informatie

Dat de inwoners van Labbeck blij zijn met de haas als lokaal dier bij het wapenschild, is duidelijk te zien op het levendige dorpsplein.

Als ‘zandhazen’ werden op meerdere plaatsen in de Nederrijn mensen aangeduid die in zanderige en eerder barre omgevingen dapper de moeilijkheden van het leven trotseerden. Zo is er ook op de rechteroever van de Rijn in het dorp Mehrhoog een ‘broeder’ van de Labbeckse zandhazen, aan wie eveneens een klein bronzen monument werd gewijd.

De bronzen hazen die de fonteinen in Labbeck versieren werden in 2012 door steenhouwer Rainer Weber gecreëerd. Op het dorpsplein wordt meer dan enkel de geschiedenis van de zandhazen vereeuwigd, die bovendien nog met een wortel als attribuut het wapenschild van de gemeente – dat zelf geen haas bevat – omlijsten. Zou de wortel misschien zinnespelen op de inwoners van Sonsbeck, die schertsend weleens de ‘Wortels’ worden genoemd?

De dorpsfontein vormt een inhoudelijke verbinding met de betekenis van het water voor de plaats: een deel van de waterleiding uit de Romeinse tijd liep langs hier en is op het dorpsplein nog te bezichtigen. Ter plaatse geeft Landschaftsverband Rheinland (LVR) op een informatiebord uitleg over het verloop, de bouwwijze, de herkomst en de bestemming van het water. Bijzonder charmant is in dit opzicht dat de waterleiding uit de bronnen in het Tüschenwald bij ‘Haus Hasenacker’ gevoed werd.

Terug

Dorpsplein Labbeck

Meer informatie

We moeten ver terug gaan in de geschiedenis, wel 1000 jaar, om bij de eerste dijken langs de Rijn uit te komen. Gaan we nog verder terug in de tijd, waren er nog helemaal geen dijken nodig. Langs de rivier stonden alleen wat eenzame boerderijen en gehuchten. Die hadden genoeg aan een terp om de ergste overstromingen te doorstaan. Dat veranderde toen de bevolking groeide en er steeds meer mensen aan de oevers van de Rijn kwamen wonen. Omdat steeds grotere stukken land tegen het water beschermd moesten worden, werden dijken onmisbaar. Maar een dijk aanleggen, vraagt veel meer kennis en inspanning dan een eenvoudige landverhoging als een terp. Sterker nog, dijken perken de vrije loop van de rivier in en worden dus regelmatig blootgesteld aan het geweld van de rivier. Om een veilige, goed functionerende dijk te krijgen, moeten alle omwonenden intensief samenwerken. En juist dat zorgde van begin af aan voor moeilijkheden. Want wie heeft welk belang? Wie heeft welke verantwoordelijkheid? De aanleg van dijken is daarom een verhaal waarin bureaucratie, planning en controle centraal staan. De waterschappen zijn bijvoorbeeld niet voor niets het oudste democratische instituut van Nederland. Ook hier in de omgeving van de Nederrijn vormde de noodzaak tot samenwerking het voorzichtige begin van de regionale overheid en het gebruik om een vreedzame oplossing te vinden voor uitlopende belangen. Schriftelijke overeenkomsten werden dan ook steeds belangrijker. Na de overstroming van 1564/1565 ontstond een heftige ruzie over de dijkplicht van Menzelen. Het dorp Menzelen voelde zich niet verantwoordelijk voor het deel van de dijk bij Wallach- dat immers  in een andere provincie lag. Er moest een rechter aan te pas komen. In 1580 werden de percelen nieuw gemeten en de rechten en plichten opnieuw vastgelegd. De grenzen die toen werden vastgelegd, hebben – tenminste deels – tot op de dag van vandaag hun rechtsgeldigheid behouden. De dijken beschermen het land en de mensen moeten samen de dijken beschermen. Dat is in al die eeuwen niet veranderd. Ook de woorden die we met de waterbescherming verbinden niet. We kennen zowel in Nederland als in Duitsland nog steeds dezelfde benamingen voor dijkgraaf en dijkschouw. Hoewel er in de geschiedenis regelmatig onenigheid was over het onderhoud van de dijken, is het verhaal van de dijken langs de Rijn ook het verhaal van gemeenschapszin: de plaatselijke waterschappen kunnen rekenen op ondersteuning van vele vrijwilligers. Die doen dat niet alleen uit plichtsbesef, maar ook omdat dijk en water deel uit maken van de regionale identiteit. We zijn samen verantwoordelijk voor de bescherming tegen het water. Als wij het niet doen, wie dan wel?

Terug

Dijkplicht

Meer informatie

Hartelijk welkom in Rheinberg, Berka, Berg am Rhein of Rhinberg, in verouderd Nederlands ook wel Rijnberk – wat u het leukste vindt. De naam Rheinberg kwam pas tegen het einde van het de 16e eeuw in zwang. Het is een passende naam, want de geschiedenis van de stad is onafscheidelijk verbonden met die van de rivier. Wie nu om zich heen kijkt, ziet de ruïnes van een toren op een grasveld. Ongeveer 700 jaar geleden hadden we hier echter pal naast de Rijn gestaan, tegenover een indrukwekkende toren van 23 meter hoogte. De nabijheid van de Rijn maakte het dorpje al snel interessant als plek om tol te heffen. De Rijn was toen natuurlijk een van de belangrijkste verkeersaders in de wijde omgeving. Als noordelijkste exclave van het bisdom Keulen kreeg Rheinberg in 1233 stadsrechten. Het ging het stadje economisch zeer voor de wind, maar dat was niet van al te lange duur. De vele oorlogen die van de late middeleeuwen tot de 17e eeuw in de streek werden uitgevochten, eisten hun tol. Rheinberg werd dan wel uitgebouwd tot een vesting, maar werd meerdere keren belegerd, veroverd en heroverd. De bevolking had er zwaar onder te leiden en zowel het slot als grote delen van de stad gingen in de loop der tijd in vlammen op. Vooral de ontploffing van de grote toren, die destijds dienst deed als munitiedepot en daarom meestal "kruittoren" werd genoemd, richtte een enorme ravage aan. Tot overmaat van ramp verlegde de Rijn ook nog zijn loop en verdween uit de buurt van Rheinberg. De stad verloor in de 18e eeuw definitief aan economisch belang. De Pruisische overheersers lieten namelijk niet alleen de vesting vervallen, maar ook de zijarm van de Rijn die nog langs het stadje stroomde verzanden. Het grote voordeel daarvan is dat bezoekers nu kunnen genieten van een idyllische, kleine stad. Voor geïnteresseerden zijn er op meerdere plekken in de stad informatieborden geplaatst met een uitleg over de historische bouwwerken. U vindt ze onder andere bij de toren en het voormalige slot bij de speelplaats.

Terug

Rheinberg...

Meer informatie

24 maart 1945 is een belangrijke datum in de wereldgeschiedenis en Hamminkeln was het schouwtoneel. In het landelijke - en normaal gesproken zo rustige - gebied tussen Wesel, Hamminkeln en Mehrhoog klonk op die dag onophoudelijk het onheilspellende gedreun van vliegtuigen die parachutisten afwierpen. In totaal werden er rond de 1500 motorvliegtuigen en 1300 zweefvliegtuigen ingezet. 14.000 geallieerde soldaten waren bij het offensief betrokken. Achter deze koude cijfers gaan veel menselijke tragedies schuil. De dagen na de luchtaanval bleef dit gebied nog het toneel van hevige gevechten. Voor de omwonenden waren het dagen van geweld, bloed, lawaai, angst en onzekerheid: wat zou er gebeuren met de bevolking als de geallieerden de strijd eenmaal hadden gewonnen? De vliegtuigen brachten materieel dat de geallieerde troepen nodig hadden om de Duitsers te verslaan naar de overkant van de Rijn. Het Duitse leger had namelijk in de voorafgaande weken en maanden alle bruggen over de Rijn opgeblazen om de opmars van de Amerikanen en Britten af te remmen.

Toch kwam het einde van de Tweede Wereldoorlog langzaam in zicht. Bij een enorm offensief een dag eerder, met de naam Operation Plunder, waren al 250.000 soldaten overgezet naar de andere oever van de Rijn. Bij Bislich waren dat Engelse, Schotse en Canadese soldaten en in Friedrichsfeld Amerikaanse troepen. Op Operation Plunder volgde de grootste luchtaanval van de Tweede Wereldoorlog. Deze Operation Varsity was bedoeld om de troepen te versterken die eerder al de andere kant van de Rijn hadden bereikt. Varsity betekent zoiets als 'Universitaire Sportploeg' en Plunder is wel als strooptocht te vertalen. De Duitse troepen boden nog heftig verzet en aan beide kanten vielen enorme verliezen te betreuren. Uiteindelijk was de geallieerde overmacht te groot en werden de inwoners van dit gebied eind maart 1945 bevrijd. Gelukkig zijn uit de vijanden van toen inmiddels vrienden geworden die samen het grote offensief en alle slachtoffers kunnen herdenken. Bijvoorbeeld hier, bij deze gedenksteen.

Terug

Operation Varsity

Meer informatie

St. Bernardin was altijd al een bijzondere plek. Hier heeft het leven een geheel eigen ritme. Het is een aparte wereld en buitenstaanders wisten er heel lang maar weinig van. In 1852 stichtten Franciscaner monniken het klooster St. Bernardin als kostschool voor meisjes uit de omgeving. 30 jaar later werd het een tehuis voor gehandicapte meisjes en vrouwen. Tegenwoordig biedt de stichting Caritas hier een begeleid wonen project voor volwassenen. Dat is niet de enige verandering. St. Bernardin is allang geen gesloten wereld meer. Sinds het klooster werd gerenoveerd, heeft het de deuren geopend voor bezoekers van buiten.

Op de plek waar zich ooit de moestuin van het klooster bevond, is tegenwoordig een park voor de bewoners. Het is ook vrij toegankelijk is voor alle mensen uit de buurt.

De inzet van de natuurbeschermers van NABU Naturschutzentrum Gelderland en de financiële ondersteuning van het Landschaftsverband Rheinland maakten dit mogelijk. Het hart van het park wordt gevormd door meerdere projecten van het natuurbeschermingscentrum. De vele kruiden en bloemen ruiken heerlijk en maken dit deel van het park tot een zintuiglijke ervaring. De naastgelegen boerentuin, met vergeten groenten en een gedeelte waar de bezoekers worden uitgenodigd te proeven en te voelen, zijn een ware attractie voor alle bezoekers. Het complex heeft nog meer te bieden: een klein dierentuin, een speeltuin, een verwarmd zwembad en veel wandelpaden tussen de oude bomen. De tuinarchitecten hebben een bijzondere prestatie geleverd. St. Bernardin is tegenwoordig een geliefde bestemming voor een dagje uit en biedt de bewoners tegelijkertijd een aangename en inspirerende plek om te wonen. Dat maakt St. Bernardin een plek van ontmoetingen waar mensen kunnen zien hoe waardevol, en eenvoudig, echt samenleven kan zijn.

Terug

Park St. Bernardin

Meer informatie

Hier ziet u „Blumme Fritz“, de laatste bezembinder van de Bönninghardt! Hij ging door weer en wind om zijn takkenbezems en de laatste roddels aan de man te brengen. Kunstenaar Erika Rutert heeft hier een monument voor hem – en daarmee voor alle bezembinders van de Bönninghardt - opgericht. Dit ambacht speelt immers een belangrijke rol in de geschiedenis van de streek.

Leven op de Bönninghardt was...zwaar. Heel zwaar. Het is eigenlijk al verbazingwekkend dat mensen zich hier überhaupt hebben gevestigd. Want de Bönninghardt maakt deel uit van de Nederrijnse Heuvelrug, die is ontstaan uit het zand en de stenen die 200.000 jaar geleden werden opgestuwd door een immense gletsjer. Het onvruchtbare, dorre landschap werd lang alleen als bosweide gebruikt, maar in de achttiende eeuw wilde de overheid toch een poging wagen om het gebied door mensen te laten bewonen. Het toeval wilde dat er net op dat moment, in 1740, een stroom vluchtelingen uit de Palts op weg was naar Amerika. Oorlogen voorkwamen dat ze de oversteek konden wagen en zo eindigden de grote dromen van de mensen uit de Palts op de kleine Bönninghardt. Compleet aan hun lot overgelaten in dit onherbergzame gebied, woonden ze in grotten en primitieve hutten. Hun geld verdienden ze als bezembinders en dagloners. De bezems maakten ze van het ruim aanwezige struikhei. Dat bleef bijna 200 jaar zo. Nog rond 1920 werd er hier slechts één beroep vaker uitgeoefend. Sindsdien is het leven op de Bönninghardt enorm veranderd. De industriële ontwikkeling van het Roergebied betekende aansluiting op het spoornetwerk. De bouw van een militaire luchthaven en de bebossing van heideland gaven de Bönninghardt in de loop van de twintigste eeuw een geheel nieuwe uitstraling. Maar niet alle bewoners profiteerden van deze ontwikkeling, of wilden hun tradities en gewoontes zo gemakkelijk opgeven. Fritz Kempkes ging bijvoorbeeld nog tot 1958 langs de deuren met zijn bezems. Aan de Bönninghardter Straße 149 kunt u overigens een nagebouwde plaggenhut bekijken. Dat is zeker een bezoekje waard, vooral ook om een beter beeld te krijgen van de moeilijke levensomstandigheden in vroeger tijden.

Terug

De bezembinders

Meer informatie

Dijken vinden we bij zeeën, meren, rivieren en zelfs beken. Ze beschermen nederzettingen tegen hoogwater en maken het gebruik van het omliggende land pas mogelijk. De eenvoudigste bescherming tegen hoog water vinden we in Nederrijn in de vorm van zogenaamde terpen. Boerderijen zijn op aarden heuvels gebouwd en zien er bij overstromingen uit als eenzame eilanden in het water. Volgens het motto “ieder voor zich”, functioneert alles bij het eigen huis nog goed. Voor winst en behoud van weilanden en velden heeft men daarentegen behoefte aan een gesloten systeem van dijken.

Hoe intensiever een mogelijk overstromingsgebied benut wordt, des te grootscheepser wordt de dijkbouw, zodat het niet verwonderlijk is dat de hoge heren zich ermee bemoeiden.

In de 12e eeuw begon een graaf uit Kleef met de bouw van dijken, om zijn bezittingen winstgevender te maken. De regularisatie van het dijkwezen werd echter tot een uitdaging die de inzet van alle betrokkenen vereiste. Het zoeken naar een oplossing duurde eeuwen. Vorsten, bisdommen, steden en grondbezitters - die onder normale omstandigheden niet werkelijk met elkaar bevriend waren - sloten zich aaneen in zogenaamde dijkverenigingen (waterschappen?) Deze vaardigden verschillende dijkrechten en reglementen uit. Het resultaat was een behoorlijke lappendeken.

Het is daarom niet verwonderlijk dat het de ordelievende Pruisen waren die met “het Kleefse Dijkreglement” eindelijk een gesloten bandijk systeem vestigden dat sindsdien steeds verder werd uitgebreid en verbeterd. Tegenwoordig verzorgt het Dijkverband Xanten-Kleef alleen al 38 kilometer hoogwaterkeringen, het Dijkverband “Bislich Landsgrenze” 45 kilometer.

Sinds de eerste maatregelen ter bescherming tegen hoogwater heeft echter de kanalisering van de Rijn de voorwaarden voor hoogwater veranderd. De rivier voert steeds meer water steeds sneller voorbij. Met het verloop van de dijken hebben we nu eindelijk invloed op de hoogte van het hoogwater. Hoe meer vlaktes er ter overstroming aan de rivier overgelaten worden, des te lager kunnen de dijken zijn.

Terug

Dijken

Meer informatie