Bij zomerse uitstapjes naar de Benedenrijn nodigt de bandijk uit tot een aangename wandeling.
Van daaruit hebben we een idyllisch uitzicht op weiden, waterlopen, velden, de natuur erom heen is groen en vreedzaam. Verderop loopt de Rijn maar die kunnen we met het oog niet meer onderscheiden. Een situatie die zich zo nu en dan heel snel wijzigt.
Als in het voorjaar, in het stroomgebied van een rivier, de sneeuw smelt of hevige regenval de zijrivieren doet aanzwellen, kan de Rijn in de kortst mogelijke tijd buiten zijn oevers treden en de lagergelegen gebieden overstromen. De bandijk scheidt dan de uiterwaarden, waar het groene waterloopgebied in een enorm meer veranderen kan, van het achterland dat, zoals de mens wenst, niet overstroomd mag worden. Zijn hoogte geeft aan met welk bereik van hoogwater we rekenen, daarbij heeft hij zelf aanzienlijke invloed op de omvang van de hoogwaterstand.
Toen de Rijn nog over uiterwaard tot uiterwaard beschikte en heerste, veranderde hij dat gebied soms wel in een enorme watervlakte, maar deze was zeer ondiep. Een kleine, soms amper een meter hoge beschermingsdam was afdoende om huis en haard te beschermen. Hoe minder ruimte we echter aan de stroom bij hoogwater geven, des te hoger en sterker dienen de dijken te worden. Als nu een dijk mocht doorbreken bij hoog water, staan we echter niet meer tot de heupen in het water, maar kunnen gehele dorpen om hun bestaan strijden.
De waterhoogtes die we bestrijden, hebben we met de bandijk zelf uiteindelijk bewerkstelligd. Het is dus zaak het nauwe evenwicht te vinden tussen de positie van de dijk en zijn hoogte. Hoe meer overstromingsruimte een rivier heeft des te lager kunnen de dijken zijn. Om dit evenwicht opnieuw in te schatten kan een der grote uitdagingen zijn in een tijd van klimaatsveranderingen.

Terug

De “Bandijk”

Meer informatie

Het is als een plaatje uit Amerika: iemand zit aan de rivier goud te wassen met een pan. Steeds weer spoelt hij het zand in de pan met het Rijnwater weg tot zich dunne glimmende glittertjes op de bodem afzetten. Of u dat nu toevallig zelf waarneemt of niet- het gebeurt werkelijk langs de Rijn. Met geduld en handigheid of ook geluk vindt men aan zijn oever goud op deze manier. Weliswaar zo weinig dat het slechts als een moeizame en natte hobby bedreven kan worden. Economisch gezien laten de minieme hoeveelheden goud zich niet benutten.

De echte schat van de Neder-Rijn heeft de goudzoeker echter achteloos weggewassen. Een grondstof, zo waardevol en gewenst/begeerd, dat zich in korte tijd langs de rivier een belangrijke industrie gevestigd heeft. Het nederrijnse goud- deze benaming maakt de waarde van de regionale zand- en kiezelvindplaatsen duidelijk, want deze bodemschatten worden overal begeerd en steeds [weer] gebruikt. Hier zit al lang niet meer, zoals 150 jaar geleden, de kleine man aan de oever en schept zand door zijn zeef. Hier wordt de winning op grote schaal bedreven, grote graafmachines en transportbanden, die het materiaal direct uit het grindgat op het volgende transportschip verladen en daarbij zelfs straten overbruggen.

Gletsjers uit de ijstijd schoven de ongelofelijke hoeveelheden materiaal naar Neder-Rijn en ook de Rijn heeft gedurende ontelbare duizenden jaren stenen uit de Alpen meegevoerd. Nu maakt hij het mogelijk dat wij zelfs die grote hoeveelheden die we nodig hebben, kunnen afvoeren. Deze grondstofwinning langs de Rijn wordt gestaag uitgebreid en verandert het karakter van het landschap. Terwijl natuurlijk zijarmen van de rivier als gevolg van de normalisatie verdwijnen, ontstaan op andere plaatsen steeds [weer] nieuwe grindgaten.

Landschappelijk misbruik en benutting is een veelbesproken thema tussen verscheidene belangengroeperingen. Natuurbeschermers hebben andere ideeën dan grindondernemers, vissers, boeren of recreanten. Een draagkrachtig compromis te vinden tussen de verschillende posities is een van de grote uitdagingen die de kiezelwinning aan ons stelt.

Terug

Bodemschatten uit de IJstijd

Meer informatie

Er was eens een reus. Hij was meer dan 100 meter lang en lang, lang geleden maakte hij een hoge heuvel van stenen en zand... Ach, u heeft geen zin in sprookjes? Maar dit is geen sprookje, het is een waar gebeurd verhaal. En het speelde zich precies hier af. Maar we moeten wel ver terug in de tijd, ongeveer een kwart miljoen jaar. En de reus was geen sprookjesfiguur, maar een indrukwekkende gletsjer, die zich tijdens de laatste ijstijd van Scandinavië tot de Nederrijn bewoog. Het enorme gewicht van de ijsmassa's duwde zand, kiezels en gruis uit het rivierbed van de Rijn voor zich uit. Toen het weer warmer werd, verdween de gletsjer uiteindelijk, maar de ophoping van stenen die de gletsjer had veroorzaakt, bleef liggen en vormde de Nederrijnse Heuvelrug. Tot op de dag van vandaag is goed te zien in welke richting de gletsjer zich bewoog. Aan de zuidwestelijke kant – zeg maar de achterkant van de heuvelrug – glooit het landschap zachtjes. Aan de noordoostkant zijn echter duidelijk steile hellingen te zien, de eindmorene.

Aan het landschap is natuurlijk niet te zien dat de heuvelrug bestaat uit zand en stenen. Het is wel te merken aan de manier waarop het landschap wordt gebruikt. Een groot deel van de heuvelrug was – en is deels nu nog – bebost. De mensen gebruikten het bos voor het hout en bouwden hun nederzettingen aan de voet van de heuvelrug. Akkerbouw is hier nauwelijks mogelijk. De ondergrond bestaat uit zand en kiezels en er is nauwelijks water. Dat moesten de immigranten uit de Palts, die hier in de 18e eeuw een leven op wilden bouwen, op pijnlijke wijze ontdekken. De Bönninghardt was decennia lang een arme regio. Als bezembinders probeerden de mensen het hoofd boven water te houden. Ze moesten wel, want landbouw was hier dus niet mogelijk. Pas de uitvinding van de kunstmest veranderde dat. Tegenwoordig wordt het landschap dan ook gekenmerkt door veel akkerbouw en een beetje bos.

Terug

De Nederrijnse Heuvelrug

Meer informatie

U staat hier op een van de oudste dijken in de omgeving. Meer dan 200 jaar geleden werd hij – voornamelijk van baksteen – gebouwd. Niet alleen bood de dijk bescherming tegen overstromingen, dankzij deze dijk konden eindelijk ook alle omliggende dorpen bezocht worden door postbodes. Vandaar ook de naam: postdijk. Tegenwoordig speelt de dijk geen rol van betekenis meer bij het bezorgen van de post en ook niet meer in de strijd tegen het water. Wel is de oude waterkering nog van belang voor de biodiversiteit. Vroeger waren grasvelden vol bloeiende bloemen en kruiden een veel voorkomend verschijnsel langs de Nederrijn, maar dat is niet meer zo. Alleen op de dijken tref je dit natuurverschijnsel nog aan. In dit milde klimaat bieden de steile, zonnige bermen de ideale omgeving voor wilde bloemen en planten als veldsalie, tijm, de beemdkroon of het knoopkruid. Dat trekt natuurlijk weer ontelbaar veel insecten aan, die op hun beurt weer aantrekkelijk vogelvoer zijn. Deze voedselketen kan alleen functioneren als de bloemen kunnen bloeien. En dat kan alleen als de dijk zoveel mogelijk met rust wordt gelaten en er zo min mogelijk – en vooral niet te vroeg in het seizoen – wordt gemaaid met grasmaaiers. Er zijn andere manieren om de dijk te onderhouden. Bijvoorbeeld door er schapen te laten grazen. Die doen dat van nature in een langzaam tempo en zo krijgen de planten genoeg tijd om te groeien. Bovendien zorgen schapen geheel uit zichzelf voor een goede bemesting en trappen ze de plaggen goed vast in de grond. Dat laatste is vooral van belang voor dijken die ons nog daadwerkelijk tegen hoogwater moeten beschermen. De Postdeich is wat dat betreft al met pensioen en dus mogen hier ook grotere struiken groeien, aangename broedplaatsen voor vogels. De Postdeich maakt deel uit van het beschermde natuurgebied „Rheinaue zwischen Wesel und Bislich“ en is eigendom van NABU Wesel. Een organisatie die gelukkig heel goed weet hoe natuurvriendelijk dijkonderhoud eruit ziet.

Terug

De Postdeich

Meer informatie

Als de Rijn bij ongewoon hoogwater buiten zijn oevers treedt en het omliggende land overstroomt, krijgen we iets heel bijzonders te zien. Waar eerst groene velden waren, is nu alleen nog maar water. Daar steken alleen nog wat bomen, bossen en een enkele boerderij bovenuit. Die zijn namelijk ooit op kleine heuvels gebouwd. En dat is geen toeval. De zogenaamde terpen werden precies voor dit doel opgeworpen - als noodzakelijke aanpassing aan de onvoorspelbare stroming van de rivier.

 

Tot op de dag van vandaag vinden we meerdere terpen aan de Nederrijn, steeds daar waar boerderijen in de uiterwaarden tussen de Rijn en de dijk zijn gebouwd. Want hoewel de loop van de Rijn is verrecht en wordt gecontroleerd - en hoewel de dijken grote overstromingen van het achterland verhinderen – overstromen de uiterwaarden nog steeds met enige regelmaat. Als dat gebeurt, moeten de mensen die hier wonen alles – van melktransport tot schoolbezoek – met de boot doen.

 

Ook de huizen rond het Naturforum op het Bislicher-eiland waren oorspronkelijk op een terp gebouwd. Het gehele landschap is hier gevormd de steeds veranderende loop van de Rijn. In de Romeinse tijd was het Bislicher-eiland nog een echt eiland, met aan de noordzijde de Rijn en aan de zuidkant een zijarm van de rivier. Later verlegde de Rijn zijn hoofdstroom steeds meer in zuidelijke richting. Het was Frederik de Grote die de Rijn in de achttiende eeuw liet reguleren en ongeveer in zijn huidige vorm dwong. Het oude rivierbed verloor daarmee zijn permanente verbinding met de hoofdstroom.

 

Tot op de dag van vandaag is het Bislicher-eiland nog overstromingsgebied en dat is een geluk voor de planten en dieren. En voor ons mensen zijn de terpen dus veel meer dan een overblijfsel uit voorbije tijden, maar nog steeds noodzakelijk om droge voeten te houden.

Terug

De terpen

Meer informatie

Let op, u bevindt zich hier in het grensgebied! Dat valt misschien niet meteen op, maar eeuwenlang was de rivier de Issel (de Oude IJssel in het Nederlands) een grens. Een rivier is natuurlijk bij uitstek geschikt als grensmarkering: duidelijk zichtbaar en niet zomaar over te steken. De Issel stroomt via de IJssel, zelf een aftakking van de Rijn, tot aan het IJsselmeer en speelde daardoor altijd een belangrijke rol in de contacten tussen verschillende volkeren. Maar hier, in Noordrijn-Westfalen speelt de rivier in de geschiedenis voornamelijk een rol als grens. De Romeinen legden hier al versterkingen aan en ook voor het Frankische Rijk – de Christelijke wereldmacht van de vroege middeleeuwen – vormden de Rijn en de Issel de grens van hun invloedssfeer. Zelfs na Karel de Grote, toen het rijk werd opgedeeld, speelde de rivier een belangrijke rol. Het Hertogdom Kleef en het Aartsbisdom Münster voerden namelijk een lange strijd om het precieze grensverloop in dit gebied vast te stellen.

Sindsdien stroomde er al veel water door de Issel. De stad Hamminkeln in het Kreis Wesel omvat meerdere Nederrijnse en Westfaalse dorpen. En dat speelt ook tegenwoordig nog een rol in het leven van de mensen die hier wonen. In elk geval is de grens tussen Nederrijn en Münsterland nog steeds duidelijk te horen.

Dingden en Wertherbruch, twee dorpskernen binnen Hamminkeln, liggen slechts 5 kilometer van elkaar, maar wel op de linker- en de rechteroever van de rivier. En daarom spreken de inwoners van een en dezelfde stad een ander dialect. Het is wetenschappelijk bewezen. Als u in Dingden een bakkerij binnenloopt om een brood te kopen, hoort u Westfaals. In Wertherbruch wordt u in het Nederrijns dialect begroet. Een Dingdener Wittbrot (wittebrood) heet in Wertherbruch een Wegge of Stute. In het Westfaals is een beschuit Twieback, maar in Wertherbruch noemt men het Beschütt. Gelooft u het niet? Probeert u in Wertherbruch maar eens een krant te kopen, die heet daar Blatt. De inwoners van Dingden zouden u verwonderd aankijken, die noemen het een Zeitung.

Terug

De Issel als grens

Meer informatie

Een middeleeuwse hertog die jarenlang om de heerschappij van een regio had gestreden en uiteindelijk als winnaar uit die strijd was gekomen, deed er verstandig aan om zijn claim op de wereldlijke macht kracht bij te zetten en ook de geestelijke machten tevreden te stellen – bijvoorbeeld door een klooster te stichten.

En dat is precies wat hier bijna 600 jaar geleden is gebeurd. De omgeving was het toneel van heftige strijd tussen het hertogdom Kleef en het prinsbisdom Münster. Uiteindelijk werd het geschil met een compromis beslecht: de hertog van Kleef werd de soeverein, terwijl het bisdom Münster de kerkelijke macht mocht uitoefenen. Kort daarna schonk Johann von Capellen, een ambtenaar aan het hof van Kleef, zijn landgoed – de Dingdener Hufe aan de Augustijner kanunniken. Op hun beurt verkochten zij het slechts vijf jaar later al weer aan het Kruisbroedersconvent in Osterberg bij Osnabrück. Zouden de Augustijners later spijt van deze beslissing hebben gekregen? Marienvrede werd al snel een belangrijk cultureel en economisch centrum. Het werd vooral bekend als plaats waar de schrijfkunst werd beoefend. Meerdere schenkingen maakten het klooster een van de rijkste van de orde. Net als andere kloosters, overleefde ook Marienvrede de secularisatie van de twintigste eeuw niet. Het klooster werd opgeheven en nadat ook de laatste monniken waren vertrokken, begon men met het verkopen van de bezittingen. De gebouwen werden stuk voor stuk afgebroken en een deel van de stenen werd opnieuw gebruikt als bouwmateriaal in Dingden. In 1973 werd bij werkzaamheden een gemetselde gang ontdekt. Misschien waren dit wel de resten van een geheime verbindingsgang tussen het klooster en het toenmalige kloostercafé, waarover in Dingden nog altijd verhalen de ronde doen. Op droge zomerdagen zijn in de weide nog steeds de fundamenten van de kloosterkerk te zien. Ook de wapensteen met een afbeelding van het echtpaar Johann en Agnes von Capellen is nog te bewonderen - en wel in het Heimathaus in Dingden. Het klooster, dat eeuwenlang bepalend was voor het landschap en het dagelijks leven van de mensen, laat zo nog altijd veel sporen na.

Terug

Marienvrede

Meer informatie

Net als Nederland, is ook de omgeving van de Nederrijn een gebied waar eigenlijk altijd intensieve akkerbouw is gepleegd. Voor de ontdekking van kunstmest was er minder grond geschikt om gewassen op te verbouwen dan tegenwoordig. Hier, aan de Nederrijn, was de grond deels te nat en op de hoger gelegen delen juist te zanderig en arm aan voedingsstoffen. De vochtige bossen en velden werden sinds de twaalfde eeuw op veel plekken afgewaterd dankzij kanalisatie. Maar hoe zou je de zandgronden vruchtbaar kunnen maken? Overal in Europa waren mensen al sinds de elfde eeuw bezig met zulke vragen. De bevolking groeide en mensen vestigden zich ook in gebieden die niet per se geschikt waren voor akkerbouw. De oplossing die men bedacht was ingenieus. Men verwijdert de bovenste, begroeide grondlaag. Die zogenoemde plaggen worden vervolgens uitgestrooid in de stallen. Na ongeveer een jaar werden de plaggen, nu verrijkt met dierlijk mest, gemengd met as en keukenafval en weer op het veld gelegd. In de loop der eeuwen ontstond daardoor vruchtbare grond, ideaal om gewassen op te telen. De vruchtbare esdekken, Plaggenesche in het Duits, kwamen in de loop der tijd steeds hoger te liggen. Er kwam immers ieder jaar een laag grond bovenop. Maar die grond moest wel ergens vandaan komen. De gebieden waar de plaggen vandaan werden gehaald, daalden dus juist. Daar ontstonden karige heidelandschappen, soms zelfs zandduinen. Tegenwoordig worden de beide tegenpolen – de vruchtbare esgronden en de karige heidelandschappen – als twee delen van hetzelfde cultuurlandschap gezien. Veel esdekken zijn tegenwoordig bebouwd, ze lagen immers vlakbij de dorpskernen. De overgebleven esdekken blijven dankzij hun vruchtbaarheid onverminderd waardevol voor de boeren. Ze gelden, vanwege hun geschiedenis waarin menselijke inventiviteit en ijver zo’n grote rol speelden, als beschermde gebieden. In 2013 werd het zelfs uitgeroepen tot bodemsoort van het jaar.

Terug

Plaggenesch

Meer informatie